Overige tips en uitleg

aanspreekvormen: Sie of du?

  • tegen kinderen en jongeren van jouw leeftijd: du
  • in alle andere gevallen: Sie

Onthoud: In het Nederlands is het ongebruikelijk dat twee goede
kennissen of vriend(inn)en u tegen elkaar blijven zeggen. In het Duits komt dat nogal eens
voor. Dat wil beslist niet zeggen dat ze dan “afstandelijk” of “koel”
met elkaar zouden omgaan, maar in Duitsland betekent “Du” onder volwassenen dat
je een goede vriendschapsband hebt. Daarom is het in Duitsland niet zo gebruikelijk om snel
“jij” tegen iemand te zeggen, zoiets “moet groeien” !

als

  • als je een voorwaarde aangeeft: (= indien): wenn
    Deze versie van wenn komt vaak in combinatie met dann voor:
    Als [=indien] je mij helpt, (dan) geef ik een rondje bier.
    Wenn du mir hilfst, (dann) gebe ich eine Runde Bier aus. (dat is dus de
    voorwaarde ! )
  • als je over iets vertelt, wat vroeger regelmatig gebeurde: wenn
    Als ik met opa naar de stad ging, kreeg ik een ijsje.
    Wenn ich mit Opa in die Stadt fuhr, bekam ich ein Eis.
  • als je het kunt vervangen door zoals: wie
    Ze was als een moeder voor hem. (ze was zoals een moeder voor hem.)
    – Sie war wie eine Mutter zu ihm.
    Je gedraagt je als een idioot! (zoals een idioot zich gedraagt)
    – Du benimmst dich wie ein Idiot!
  • als je ermee bedoelt: “in die rol, in die functie, in die betekenis
    (identiteit)”:
    als
    Als echte voetbalfan vind ik dat heel erg.
    Als echter Fußballfan finde ich das sehr schlimm.
    Ik zie dat niet als een groot probleem.
    – Ich sehe das nicht als ein großes Problem.

anders

  • als het betekent: op een andere manier: anders
    Ik doe dat altijd heel anders [=op een andere manier].
    – Ich mache das immer ganz anders.
  • als het betekent: als dat niet gebeurt: sonst
    U kunt beter nu betalen anders [=als dat niet gebeurt] krijgt u problemen.
    – Sie können besser jetzt zahlen, sonst bekommen Sie Probleme.

beneden

  • ergens beneden zijn (in een gebouw, in een dal enz.): unten
    Waar ben je ? Ik ben beneden!
    – Wo bist du ? Ich bin unten!
  • deel van het werkwoord: naar beneden komen: herunterkommen
    Hoi Hans! Ik ben hier, kom maar naar beneden!
    – Hallo Hans! Ich bin hier, komm schon herunter!
  • deel van het werkwoord: naar beneden gaan: hinuntergehen
    Hoi Hans! Ga maar alvast naar beneden, ik kom zo.
    – Hallo Hans! Geh schon hinunter, ich komme gleich.
  • beneden een bepaalde leeftijd [=onder]: unter
    [hier: +3]
    beneden de 18 [= onder de 18]
    unter 18 Jahren
  • beneden een bepaalde grens: unterhalb+2
    De temperatuur bleef beneden de kritische grens.
    – Die Temperatur blieb unterhalb der kritischen Grenze.

Bijstelling

Een bijstelling is een woordgroep die verwijst naar een zelfstandig naamwoord. In de zin voegt het iets toe aan de betekenis van dat zelfstandig naamwoord.

Bijvoorbeeld:
– Mijn oom, toen al een rijke zakenman, kocht in 1956 een landhuis.
– Mijn auto, een oude Opel, heb ik moeten verkopen.

Kenmerkend voor de bijstelling is, dat er geen werkwoord in voorkomt. Anders zou het immers een bijzin zijn !

Welke naamval krijgt een bijstelling?

De bijstelling heeft dezelfde naamval als het zelfstandig naamwoord in de zin waarnaar het verwijst. Voorbeelden:

Mein Onkel, damals schon ein reicher Mann, kaufte ein Landhaus.
onderwerp:
1e naamval
bijstelling bij “Mein Onkel”:
dus ook 1e naamval

 

Mein Auto, einen alten Opel, habe ich verkaufen müssen.
lijdend voorwerp:
4e naamval
bijstelling bij “Mein Auto”:
dus ook 4e naamval

ook na als:
Na als komt vaak een bijstelling. Ook daar geldt dat de bijstelling dezelfde naamval krijgt als het woord waar hij naar verwijst:

Ik heb hem als jonge man in Australië leren kennen.
– Ich habe ihn als jungen Mann in Australien kennengelernt.

Hij ging als jonge man naar Azië.
– Er ging als junger Mann nach Asien.

binnen

  • binnen een bepaalde tijd: binnen een uur, een maand etc.: innerhalb+2
    binnen een uur
    – innerhalb einer Stunde
  • binnen een bepaald gebied: binnen Amerika, binnen Europa: innerhalb+2
    binnen Nederland
    – innerhalb der Niederlande
  • binnen zijn (in een gebouw): in+3+4
    Ze zijn nu binnen (bijv. in winkel)
    – Sie sind jetzt im Laden.
  • deel van het werkwoord: naar binnen komen: hereinkommen
    Hoi Hans ! Kom binnen !
    – Hallo Hans ! Komm herein !
  • deel van het werkwoord: naar binnen gaan: hineingehen
    Hoi Hans! Ga maar alvast naar binnen, ik kom zo.
    – Hallo Hans! Geh schon hinein, ich komme gleich.

blijven

In het Nederlands gebruik je blijven vaak samen met andere werkwoorden:

  • hij blijft daar wonen
  • de kinderen blijven vragen
  • ze blijft praten
  • ze blijft werken
  • het blijft regenen enz.

In het Duits kun je bleiben alleen combineren met werkwoorden die een rust aangeven:
sitzen bleiben, stehen bleiben, liegen bleiben, wohnen bleiben enz.

Bijv: Hij bleef op de trap zitten.
– Er blieb auf der Treppe sitzen.

Voor werkwoorden die geen rust aangeven (zoals praten, werken, vragen, regenen enz.) moet je omschrijvingen gebruiken, die ook aangeven dat iets maar steeds doorgaat. Je kunt kiezen uit:

  • omschrijving met und:
    Hij bleef praten.
    – Er redete und redete.
    Het bleef regenen.
    – Es regnete und regnete.
  • omschrijving met (immer) weiter:
    Hij bleef maar doorgaan.
    – Er machte immer weiter.
  • omschrijving met noch immer:
    Het blijft regenen.
    – Es regnet noch immer.
  • omschrijving met die ganze Zeit:
    Ze bleven maar roken. – Sie rauchten die ganze Zeit.

boven

  • ergens bovenin een gebouw, bovenop een heuvel zijn enz.: oben
    Waar ben je ? Ik ben boven !
    – Wo bist du ? Ich bin oben !
  • boven iets: boven het raam, de zee, het stadion enz.: über+3+4
    Het schilderij hangt boven de deur.
    – Das Gemälde hängt über der Tür.
  • deel van het werkwoord: naar boven komen: heraufkommen
    Hoi Hans ! Kom maar naar boven !
    – Hallo Hans ! Komm (he)rauf !
  • deel van het werkwoord: naar boven gaan: hinaufgehen
    Hoi Hans ! Ga maar alvast naar boven, ik kom zo.
    – Hallo Hans ! Geh schon hinauf, ich komme gleich.
  • boven een bepaalde leeftijd: über+3+4
    boven de 18
    über 18 Jahre
  • boven een bepaalde grens: oberhalb+2

    Boven de 1000 meter wordt de lucht steeds ijler.
    Oberhalb der 1000-Metergrenze wird die Luft immer dünner.

buiten

  • buiten een bepaald gebied: buiten Amerika, buiten Europa: außerhalb+2
    buiten Nederland
    außerhalb der Niederlande
  • ergens buiten (in de buitenlucht): draußen
    De kinderen spelen buiten.
    – Die Kinder spielen draußen.
  • deel van het werkwoord: naar buiten komen: herauskommen
    De krakers wilden niet naar buiten komen.
    – Die Hausbesetzer wollten nicht herauskommen.
  • deel van het werkwoord: naar buiten gaan: hinausgehen
    Hoi Hans ! Ga maar alvast naar buiten, ik kom zo.
    – Hallo Hans ! Geh schon hinaus, ich komme gleich.

dan

  • als je vertelt over gebeurtenissen: eerst .. dan : zuerst … dann
    Eerst koopt hij een winkel, dan trouwt hij, dan krijgen ze kinderen.
    Zuerst kauft er einen Laden, dann heiratet er, dann bekommen sie Kinder.
  • als je vergelijkt [ zie bij vergelijken]: groter dan, kleiner dan, mooier dan enz.: als
    Hij is groter dan zijn broer.
    – Er ist größer als sein Bruder.
  • als je een voorwaarde aangeeft: als … dan: wenn … dann
    Als je mij helpt, dan geef ik een rondje bier.
    Wenn du mir hilfst, dann gebe ich eine Runde Bier aus.
  • als je belangstelling toont [= eigenlijk]: denn
    Hoe oud ben jij dan [= eigenlijk]?
    – Wie alt bist du denn?

dat

  • als het een betrekkelijk voornaamwoord is: soms das
    Het boek, dat ik haar wilde geven, was uitverkocht.
    – Das Buch, das ich ihr schenken wollte, war ausverkauft.
  • als het een aanwijzend voornaamwoord is: das
    Dat vind ik stom !
    Das finde ich blöd !
  • als het een voegwoord is (het verbindt hoofd- en bijzinnen): dass
    Ik denk dat je gelijk hebt.
    – Ich glaube, dass du recht hast.
  • in uitdrukkingen met tijd: wo
    op het moment dat
    – im Moment/Augenblick, wo
    op de dag dat
    – am Tag, wo

dezelfde, hetzelfde

Deze woorden maak je van der, die of das (uitgangen van de DER-groep) met direct daarachter het bijvoeglijk naamwoord selbe:

m
mannelijk

v
vrouwelijk

o
onzijdig

mv
meervoud

1 onderwerp derselbe Mann dieselbe Frau dasselbe Kind dieselben Kinder
2 bezit desselben Mannes derselben Frau desselben Kindes derselben Kinder
3 meew. voorwerp demselben Mann derselben Frau demselben Kind denselben Kindern
4
lijd. voorwerp
denselben Mann dieselbe Frau dasselbe Kind dieselben Kinder

voorbeelden:

  • mannelijk 1e naamval:
    Dat is toch dezelfde pen ?
    – Das ist doch derselbe Kugelschreiber ?
  • mannelijk 4e naamval:
    Ik heb dezelfde pen als jij !
    – Ich habe denselben Kugelschreiber wie du !
  • onzijdig 1e naamval:
    Dat is allemaal hetzelfde !
    – Das ist alles dasselbe !

door

  • ergens door heen: durch
    Hij keek door het gat.
    – Er schaute durch das Loch.
  • door middel van: durch
    Door een bliksemaktie kon men hem redden.
    – Durch eine Blitzaktion konnte man ihn retten.
  • als je in een lijdende zin aangeeft wie iets deed of wat de oorzaak was: von
    De hond werd door het echtpaar in het bos gevonden.
    – Der Hund wurde von dem Ehepaar im Wald gefunden. (het echtpaar deed iets: zij vonden de hond)
    Het huis werd door de bliksem getroffen.
    – Das Haus wurde vom Blitz getroffen. (de bliksem was de oorzaak)
  • door + te + infinitief = in de tegenwoordige tijd: wenn
    Door snel te reageren kun je de volgende prijzen winnen: …
    Wenn du schnell reagierst, kannst du folgende Preise gewinnen: …
  • door + te + infinitief = in de verleden tijd: indem / dadurch, dass
    Door haar op tijd te bellen, kon hij erger voorkomen.
    Dadurch, dass er sie rechtzeitig anrief, konnte er Schlimmeres vermeiden.
    Indem er sie rechtzeitig anrief, konnte er Schlimmeres vermeiden.

gaan

In het Nederlands gebruik je gaan vaak samen met andere werkwoorden:  de kinderen gaan spelen, ze gaan werken, het gaat regenen, iets gaan vertellen, gaan trouwen
enz. In het Duits kun je gehen alleen combineren met werkwoorden die aangeven, dat je ook werkelijk ergens naar toe gaat.

Dat kan buitenshuis zijn (arbeiten gehen, einkaufen gehen, nach Hause gehen), maar ook als je bijv. binnenshuis op moet staan en iets gaat halen of doen (bijv. schlafen gehen).

In andere gevallen moet je gaan in het Duits weglaten of omschrijven:

  • weglaten:
    Wat ga je volgende week doen ?
    – Was machst du nächste Woche ?
    Ik ga dat niet nog eens uitleggen.
    – Ich erkläre das nicht noch einmal.
    Morgen gaan ze trouwen.
    – Morgen heiraten sie.
  • omschrijven met werden of wollen:
    Ik ga hem morgen bellen
    – Ich werde/will ihn morgen anrufen.
    Ze gaat in Engeland studeren.
    – Sie wird/will in England studieren.
    Je gaat me toch niet vertellen,
    – Du wirst/willst mir doch nicht dat erzählen, dass…
  • omschrijven met anfangen of beginnen:
    Het gaat weer regenen.
    – Es fängt schon wieder an zu regnen. / Es beginnt schon wieder zu regnen.
    De film gaat zometeen beginnen.
    – Der Film fängt gleich an. / Der Film beginnt gleich.
    Het kind ging huilen.
    – Das Kind fing an zu weinen. / Das Kind begann zu weinen.

 gelukkig

  • als het om de toestand van gelukkig zijn gaat: glücklich
    En ze leefden nog lang en gelukkig.
    – Und sie lebten noch lange und glücklich.
  • als iets meevalt: zum Glück
    Gelukkig had niemand het gezien.
    Zum Glück hatte keiner es gesehen.

helemaal

  • ter versterking van het woord nicht: gar / überhaupt
    Dat wist ik helemaal niet.
    – Das wußte ich gar nicht / überhaupt nicht.
  • in alle andere gevallen: ganz
    De wond was helemaal genezen.
    – Die Wunde war ganz geheilt.
    Het is me nu helemaal duidelijk.
    – Es ist mir jetzt ganz klar.

iedereen

Iedereen vertaal je met een vorm van jed.. of all.. (met de gewone uitgangen van de DER-groep).

bijvoorbeeld:

  • 1e naamval: Dat weet toch iedereen!
    Das weiß doch jeder! / Das wissen doch alle!
  • 3e naamval: Ze heeft met iedereen gesproken.
    Sie hat mit jedem gesprochen. / Sie hat mit allen gesprochen.
  • 4e naamval: Ik ken iedereen in de buurt hier.
    Ich kenne hier jeden. / Ich kenne hier alle.

In schema:

1 onderwerp jeder / alle
2 bezit jedes einzelnen
3 meewerkend voorwerp jedem / allen
4 lijdend voorwerp jeden / alle

je

In het Nederlands wordt je in twee verschillende betekenissen gebruikt:

  • in dezelfde betekenis als jij:
    Heb je [= jij] een gulden voor mij ?
  • in de betekenis men:
    Zoiets doe je [= doet men] gewoon niet.

In het Duits mag je niet iedere Nederlandse je met du vertalen. Want du verwijst bijna altijd naar één bepaalde persoon.

REGEL:

  • als je je kunt vervangen door men : man
  • in alle andere gevallen: du

voorbeelden:

  • Je [=men] kunt nooit weten.
    Man kann nie wissen.
  • Waar was je [=jij] gisteren ?
    – Wo warst du gestern ?
  • Zoiets doe je [=men] niet.
    – So etwas macht man nicht.
  • Dat weet je [=jij] toch ?
    – Das weißt du doch ?
  • Hier kun je [=men] geen loten kopen.
    – Hier kann man keine Lose kaufen.
  • Je [=men] mag hier ook niks!
    Man darf hier auch nichts!

komen

In het Nederlands kun je komen samen met een infinitief gebruiken: iets komen vertellen, iets komen afhalen, komen praten met iemand enz.

Dat kan in het Duits niet, je moet het omschrijven:
bijvoorbeeld:

  • Ik kom hem morgen afhalen.
    – Ich hole ihn morgen ab.
  • Ik kom het cadeau wel brengen.
    – Ich bringe das Geschenk schon vorbei.
  • Ik kom eens met je praten.
    – Ich möchte mal mit dir reden.

langs

  • als je iets kort passeert: an+3 … vorbei
    Gisteren kwam ik nog langs je huis.
    – Gestern kam ich noch an deinem Haus vorbei.
  • in de werkwoorden langs gaan / langs komen: vorbeischauen / vorbeikommen
    Wanneer kon je weer eens langs ?
    – Wann kommst du mal wieder vorbei ? / Wann schaust du mal wieder vorbei ?
  • in alle andere gevallen: entlang+4 (evenwijdig aan,
    duurt langere tijd)
    LET OP: het voorzetsel komt erachter !
    Ze fietste langs de rivier
    – Sie radelte den Fluß entlang.

maar

  • als je het kunt vervangen door slechts: nur
    De herfstvakantie duurt maar een week. (slechts een week)
    – Die Herbstferien dauern nur eine Woche.
  • als je het kunt vervangen door echter: aber
    Het spijt me maar ik kan niet op maandag. (ik kan echter niet op maandag)
    – Es tut mir leid, aber ich kann nicht am Montag.
  • in uitdrukkingen als: geen .. maar : kein .. sondern, niet .. maar: nicht ..
    sondern
    Sorry, ik wilde geen aardbeien maar aardappelen !
    – Entschuldigung, ich wollte keine Erdbeeren sondern Kartoffeln !

maken

  • als je het kunt vervangen door produceren: produzieren / herstellen
    In deze fabriek worden TV’s gemaakt.
    – In diesem Werk werden Fernseher produziert / hergestellt.
  • als je het kunt vervangen door repareren: reparieren
    Kun je mijn fiets maken ?
    – Kannst du mein Fahrrad reparieren ?
  • in de uitdrukking: (n)ergens mee te maken hebben: tun
    Hij heeft er niets mee te maken.
    – Er hat nichts damit zu tun.
  • in alle andere gevallen: raadpleeg een woordenboek

erg

  • als je iets heel vervelend of naar vindt: schlimm
    Dat is niet erg.
    – Das ist nicht schlimm.
  • in alle andere gevallen: ganz / sehr
    Het was erg leuk.
    – Es war ganz toll.
    Ik vond het erg interessant.
    – Ich fand es sehr interessant.

naar

Bekijk hier het uitleg- en oefenfilmpje bij dit onderwerp:

naar is bijna altijd: zu

Ze gaat naar haar oma.
– Sie fährt zu ihrer Oma.
Ik moet naar de bank.
– Ich muß zur Bank.

behalve in de volgende gevallen:

  • voor woonplaatsen: nach
    naar Londen
    nach London
  • voor landen, mits ze geen vast lidwoord bij zich hebben: nach
    naar Frankrijk
    nach Frankreich
  • in de uitdrukkingen: naar huis gaan, thuiskomen: nach
    naar huis gaan
    nach Hause gehen
    thuis komen
    nach Hause kommen
  • in een aantal vaste uitdrukkingen met fahren: an
    naar het strand gaan
    an den Strand fahren naar de zee gaan / ans Meer fahren
  • in een aantal vaste uitdrukkingen met gehen en fahren: in
    naar de bioscoop gaan
    ins Kino gehen
    naar het theater/toneel
    ins Theater gehen
    naar de disko gaan
    in die Disko gehen
    naar de bergen gaan
    in die Berge fahren
    naar het zuiden gaan (noorden, westen enz.)
    in den Süden fahren
  • voor landen met een vast lidwoord, zoals: die Niederlande, die Schweiz: innaar Nederland gaan
    in die Niederlande fahren
    naar Zwitserland gaan
    in die Schweiz fahren

LET OP:
Voor de vertaling van naar in naar boven/binnen/buiten/beneden gaan/komen: zie binnen, buiten, boven, beneden

of

  • als er sprake is van keuzes of mogelijkheden: oder
    Wil je koffie of thee ?
    – Möchtest du Kaffee oder Tee ?
    Je kunt er tennissen of zwemmen of iets anders.
    – Man kann dort Tennis spielen oder schwimmen oder etwas anderes.
  • als er indirekt een vraag wordt gesteld: ob
    Ik weet niet of ik nog geld heb. [indirekte vraag: Heb ik nog geld ?]
    – Ich weiß nicht, ob ich noch Geld habe.
    Of ik van dieren houd ? Natuurlijk! [indirekte vraag: Hou je van dieren?]
    Ob ich Tiere mag ? Klar !
  • als het om een heel dwingende keuze gaat: òf … òf: entweder … oder
    òf je doet mee òf je vertrekt !
    Entweder du machst mit oder du verschwindest !

om

Als je om in het Nederlands weg kunt laten moet je het in het Duits weglaten:

Ze was niet bereid (om) langer te blijven.
– Sie war nicht bereit, länger zu bleiben.

op

  • als je aangeeft op welke dag: am
    Ik kom op maandag.
    – Ich komme am Montag.
    Ik kom op de 14e.
    – Ich komme am 14.
  • als iets op is, verbruikt is: alle
    De koffie is op.
    – Der Kaffee ist alle.
  • op TV: im
    Wat is er op TV ?
    – Was gibt’s im Fernsehen?
  • in veel andere gevallen: auf+3+4
    Het geld ligt op tafel.
    – Es liegt auf dem Tisch.
    Ik hoop op goed weer.
    – Ich hoffe auf gutes Wetter.raadpleeg een woordenboek voor andere gevallen

open

  • als iets open is: offen
    De deur is open hoor !
    – Die Tür ist offen !
  • als iets open gemaakt/gedaan wordt: auf
    Doe je even een raam open, Ilse ?
    – Machst du bitte mal ein Fenster auf, Ilse ?

over = meestal über, maar…

  • in kloktijden
    Viertel nach acht
  • over een bepaalde tijd: in (hier: +3)
    De foto’s zijn over een week klaar.
    – Die Fotos sind in einer Woche fertig.
  • je kunt het vervangen door via: über
    Ik rijd het liefst over [=via] Venlo.
    – Ich fahre am liebsten über Venlo.
  • als het om een rest gaat: übrig
    Zo blijft er niets over.
    – So bleibt nichts übrig.
  • als deel van het werkwoord overgaan: vorbeigehen
    Dat gaat wel over, maak je geen zorgen.
    – Das geht schon vorbei, mach dir keine Sorgen.
  • als je vertelt waar iets (een verhaal, film enz.) over gaat: handeln von
    Het boek gaat over de Idianen in Amerika. – Das Buch handelt von den Indianeren in
    Amerika.

plaats van de persoonsvorm bij weil en denn

  • want = denn : persoonsvorm direkt na het onderwerp
    Ik kom niet want ik heb geen tijd.
    – Ich komme nicht, denn ich habe keine Zeit.
  • omdat = weil : persoonsvorm aan het einde van de bijzin
    Ik kom niet, omdat ik geen tijd heb.
    – Ich komme nicht, weil ich keine Zeit habe.

s, ss of ß ?

REGEL: De ss komt na een kort uitgesproken klinker (zoals in wir müssen).

In andere gevallen wordt meestal een ß geschreven (bijv. ich weiß) of een gewone s (ich lese).

bijvoorbeeld:

  • der Fluss = de rivier (de u wordt kort uitgesproken)
  • der Fuß = de voet (de u wordt lang uitgesproken)

toch

  • als je er nadrukkelijk de klemtoon op legt en je kunt het vervangen door ondanks dat: dennoch / trotzdem
    Ze heeft het toen toch gedaan.
    – Sie hat es damals dennoch / trotzdem getan.
  • in de meeste andere gevallen: doch
    Jij had toch geen auto ?
    – Du hattest doch kein Auto ?

toen

  • als je het kunt vervangen door: op het moment dat
      : als
    • Toen [=op het moment dat] ik binnenkwam, was iedereen al weg.

Als

    ich hereinkam, waren alle schon weg.

  • als je het kunt vervangen door vroeger: damals
    Toen [=vroeger] waren er nog geen auto’s.
    Damals gab es noch keine Autos.
  • als je vertelt over gebeurtenissen: eerst … toen: zuerst … dann
    Eerst kocht hij een winkel, toen trouwde hij, toen kregen ze kinderen.
    Zuerst kaufte er einen Laden, dann heiratete er, dann bekamen sie Kinder.

Umlaut of niet?

De Umlaut komt alleen maar voor op een a, au, u of o.

Als ezelsbruggetje kun je daarvoor het woord “auto” onthouden: Daar zitten al
die letters in.

LET OP: De Umlaut kan
ook voorkomen op een hoofdletter.

voorbeelden:

  • Egypte = Ägypten
  • de oefening = die Übung

 

 

voor

  • als het betekent: bestemd voor:

für+4

    • Dat is voor [=bestemd voor] je zus.
    • – Das ist

für

    deine Schwester.

  • als je vóór iets bent: für
    Ben je vóór of tegen de doodstraf ?
    – Bist du für oder gegen die Todesstrafe?
  • in alle andere gevallen: vor
    Hij stond voor de deur.
    – Er stand vor der Tür.

Bekijk hier de uitleg- en oefenvideo bij dit
onderwerp:

vragen

 

  • als je wilt, dat een ander iets doet [=verzoeken]: bitten+4 

    Dat was de buurman. Hij vroeg of het wat zachter kon.
    – Das war der Nachbar. Er bat um etwas mehr Ruhe.
    Ze had hem gevraagd parfum voor haar te kopen.
    – Sie hatte ihn gebeten, ihr Parfum zu kaufen.
    Daar heb ik niet om gevraagd !
    – Darum habe ich nicht gebeten !

  • als je iets te weten wilt komen: fragen+4
    Ik vraag even, of er nog kaartjes zijn.
    – Ich frage mal, ob es noch Karten gibt.

LET OP: vragen aan vertaal je zonder aan:

Vroeg je dat aan mij ? – Hast du mich gefragt ?

wanneer

  • als je het kunt vervangen door op welk moment:
      wann
    • Wanneer [= op welk moment] kom je me eens bezoeken ?

Wann

    • kommst du mich mal besuchen ?
    • Heb je gevraagd, wanneer [= op welk moment] ze komen ?
    • – Hast du gefragt,

wann

    sie kommen ?

  • als je het kunt vervangen door als, indien: wenn
    Wanneer [=als, indien] je er langer naar kijkt, zie je ook meer.
    Wenn man länger hinsieht, sieht man auch mehr.

wel

  • als je het kunt vervangen door weliswaar: zwar
    Ik wil wel [=weliswaar] komen, maar niet vanavond.
    – Ich möchte zwar kommen, aber nicht heute abend.
  • in de uitdrukking: denken van wel: schon
    Of ik ook kom ? Ik denk van wel !
    – Ob ich auch komme ? Ich denke schon !
  • als er twijfel is: eigentlich
    Heb je wel geld bij je ?
    – Hast du eigentlich Geld dabei ?
  • in de meeste andere gevallen: wohl. Raadpleeg een woordenboek !

woordvolgorde in de zin

Meestal is de volgorde in de zin hetzelfde als in het Nederlands. Enkele uitzonderingen
zijn:

  • in de bijzin staat de persoonsvorm aan het eind:
    Ik hoop, dat ik dan kan komen.
    – Ich hoffe, dass ich dann kommen kann.
    Ze vroeg, of ik haar fiets wilde maken.
    – Sie fragte, ob ich ihr Fahrrad reparieren wollte.
  • groepen werkwoorden staan zoveel mogelijk aan het eind van de
    zin:

    Hij schijnt te hebben gerekend op mijn medewerking.
    – Er scheint auf meine Mitarbeit gerechnet zu haben.
  • bij meerdere infinitieven achterelkaar moet de volgorde
    ten opzichte van het Nederlands omgekeerd worden:

    Waar heb je dat laten repareren ?– Wo hast du das reparieren lassen ?

    Ik had het hem nog willen zeggen.

    – Ich hätte es ihm noch sagen wollen.

zitten te praten, staan te wachten, liggen te lezen enz.

Om aan te geven dat iets lang duurt kun je in het Nederlands zeggen:

Ik zit/lig een boek te lezen.
Hij loopt/staat te piekeren.

Het gaat er dan niet om dat je daarbij zit, ligt, loopt enz. maar dat het lang duurt.

In het Duits kun je dat niet vertalen. Je moet het weglaten:
Ik zit/lig een boek te lezen.
– Ich lese ein Buch.
Hij loopt/staat te piekeren.
– Er grübelt.

Dat geldt ook voor uitdrukkingen met aan het: aan het lezen, werken zijn enz.

Ik ben aan het lezen.
– Ich lese.
Hij is aan het piekeren.
– Er grübelt.

als het lang duurt maar het zitten, liggen, staan zelf ook wel van belang is vertaal je dat met und:
Hij zat op het toilet de krant te lezen.
– Er saß auf der Toilette und las die Zeitung.
Ze lag in de tuin een boek te lezen.
– Sie lag im Garten und las ein Buch.
Hij stond te vissen aan de rivier.
– Er stand am Fluß und angelte.

om aan te geven dat iets je irriteert
gebruik je bijv.
“Zit niet te zeuren!”
Dit kun je weergeven door: herum (of rum) voor het werkwoord te zetten:
Zit niet te zeuren!
– Hör auf (he)rumzunörgeln!
of toe te voegen: die ganze Zeit, den ganzen Tag:
Ze zit voortdurend te storen.
– Sie stört die ganze Zeit.
Hij loopt de hele dag te mopperen
– Er meckert den ganzen Tag (he)rum.