WORKSHOP: ALLE JAHRE WIEDER … Anmeldung noch möglich!

Sa, 24.11.2018 – 

Weihnachten und Neujahr im Unterricht

GOETHE-INSTITUT ROTTERDAM

Westersingel 9
Rotterdam

Preis: € 100,00 (inkl. Lunch)

Für alle Deutschlehrenden

Weihnachten und Neujahr im Unterricht

Alle Jahre wieder … freut man sich auf die besinnliche Zeit zum Jahresende, auf die Familie und Ferien. Aber warum sollte man die Freude nicht auch in den Unterricht einbauen – Weihnachten in Deutschland und anderen Ländern näherbringen, Traditionen, wie das Gedichteschreiben zum Sinterklaas, Schrottwichteln unter Freunden oder das Bleigießen zu Silvester.

Dieser ganztägige Workshop wird Ihnen interaktiv Unterrichtsideen vorstellen. Außerdem können Sie sich mit Kollegen und Kolleginnen über Ihre eigenen Erfahrungen und Ideen austauschen. Passend zum Thema werden wir in Kleingruppen ein Stationenlernen auf dem Niveau A2/B1 entwickeln und gemeinsam ausprobieren.

Mehr Infos und Anmeldung >>

Mehr Fortbildungen in den Niederlanden

www.goethe.de/niederlande/deutschunterrichten

LIEBE IN DEN GÄNGEN

De boeiende film LIEBE IN DEN GÄNGEN draait vanaf 22 november a.s. in de bioscoop. Hier de synopsis van de film:

De nachtelijke groothandel is een wonderlijk universum met eindeloze, schaars verlichte gangen. Op een industrieterrein in voormalig Oost-Duitsland slaat de werkende onderklasse zich er kibbelend door de diensten heen. Voor de schuchtere Christian, met zichtbare tatoeages die een ruig verleden doen vermoeden, gaat een nieuwe wereld open. In één van de gangen ziet hij de mysterieuze Marion van de ‘afdeling zoetwaren’ en valt als een blok voor haar. Zijn collega’s maken echter meteen duidelijk dat ze niet beschikbaar is.

Om hem wegwijs te maken op de afdeling koppelt zijn goedhartige baas Rudi hem aan zijn schaakmaat Bruno van de ‘drankenafdeling’, die hem de kneepjes van het vak leert én de vorkheftruck besturen. In de pauzes bij de koffieautomaat bloeit er toch iets op tussen Christian en Marion. Wanneer zij ineens niet op haar werk verschijnt, vervalt Christian in somberheid en oude gewoontes. Een tragische gebeurtenis op de afdeling maakt duidelijk dat de werknemers tussen de schappen een hechte gemeenschap vormen, een warme band die voor veel van hen als familie voelt.

LIEBE IN DEN GÄNGEN is een zachtmoedig komisch drama van regisseur Thomas Stuber met Franz Rogowski (HAPPY END, VICTORIA, TRANSIT), Sandra Hüller (TONI ERDMANN) en Peter Kurth (GOOD BYE LENIN!) over lief en leed tussen de schappen van een levensmiddelengroothandel. Het scenario werd bekroond met de Duitse Scenarioprijs. LIEBE IN DEN GÄNGEN was onderdeel van de competitie van het filmfestival van Berlijn en werd er bekroond met meerdere prijzen.

Hierbij de link met de trailer en de theaters die de film vertonen: http://bit.ly/CherryPickersLiebe

Lokaal 122: week 9: Loslaten of ingrijpen?

Nog geen 1 opdracht gemaakt dit jaar? Eigen verantwoordelijkheid van de leerling of toch maar de ouders informeren? In mijn geval ging ik er afgelopen zondag een paar uur voor zitten om de ouders van ca. 15 van mijn leerlingen die flinke achterstanden hadden toch maar eens te mailen. Daarover verderop meer.

Ergens rond klas 3 komt er nog wel eens even flink de klad in. De puberteit slaat toe. Plotsklaps is het vrolijk stuiterende „Kijk eens, ik heb het allemaal op tijd af!“ van je vertrouwde ex-tweedeklasser verruild voor een – liefst onderuit hangend gesproken –  „Nou, ik leer het altijd gewoon, en de toets is al geweest dus moet ik dat nog maken dan?“. Motto: Paul, niet zeuren! Of in de wat assertievere versie: „Dit is toch Dalton, dan mag ik toch zelf beslissen wat ik doe?“. Leerlingen die al wat langer les van mij hebben zie je denken: „Nee, niet doen! Niet aan hem vragen!! Dan gaat ‚ie los met zijn sportvergelijkingen!“.

En inderdaad: Er komt dan een reeks vragen als „Mag je voortaan wegblijven bij de voetbaltraining als je een keer een doelpunt gescoord hebt?“ „Hoe word je zonder training beter in voetbal?“. Of in de vorm van stellingen: „Als je voetbal snapt is trainen nergens voor nodig.“ of „Als je nog even een avondje voetbal kijkt op TV ben je klaar voor de wedstrijd van morgen“ of „Het gaat alleen om het winnen van de wedstrijd.“ (ergo: „Ik voetbal niet om er beter in te worden“). Helaas: alle vergelijkingen gaan in één opzicht mank: Die leerling kóós voor voetbal en haalt daar een bepaalde motivatie uit. Voor Duits moet je naar een gebouw waar een meneer jou allerlei werk opdraagt waar je niet om vroeg. En thuis moet je ook nog van alles. Dus moet ik als docent alle zeilen bijzetten om aan de motivatie-driehoek te werken: autonomie, competentie en het gevoel van verbondenheid. (aldus de befaamde theorie van Ryan en Deci). Laat ik er voor nu autonomie uitpakken, want dat is één onderdeel in de beslissing van een leerling om er voor te kiezen iets niet te doen.

Als autonomie erg goed is voor de motivatie: Waar zit de autonomie in mijn lessen?

Helaas, in klas 2 en 3 is die nog erg beperkt. Voor het „gewone“ werk (geen werkstukken, presentaties enz.) geldt: Je mag je maakwerk zelf verdelen binnen een bepaalde tijd. Maar ruim voor de toets moet je klaar zijn. Ook omdat we in de klas dan met werkvormen aan de slag gaan die oppakken wat je zelfstandig moest ervaren en oefenen. Als je in de klas pas voor het eerst de stof tegenkomt wordt het geen zinvolle les (en ook geen leuke toets vaak…). Ik vind die heel beperkte autonomie in de beginfase niet onlogisch. Hoe veel zinvolle/relevante keuzes kun je maken als je nog nooit muziek hebt gehad en voor het eerst een gitaar in je handen hebt? Een leerling is een leek op het vakgebied. Niet zonder levenservaring en voorkennis, maar met doorgaans weinig vakkennis en ervaring. Als kiezen een serieuze zaak moet zijn moet je al een eind op weg zijn en vooral ook: in staat zijn om je eigen vaardigheid goed in beeld te hebben, te weten wat een zinvolle vervolgstap zou kunnen zijn.

Dat leer je niet eventjes. Op onze Daltonschool is „Leerlingen moeten keuzes kunnen maken“ een belangrijke gedachte. Zodra collega’s dit iets te dogmatisch uiten voeg ik er aan toe: „… maar kiezen zonder kennis is als gokken op gevoel“. Een voorbeeld: Als mijn 6V leerlingen voor hun eigen literaire werk een boek mogen uitkiezen is het zinloos om hen een lijstje titels te geven. Hoe moeten zijn weten wat er achter die titel zit? Optie 2: Gewoon naar de mediatheek sturen, motto: „Kies maar een boek?“. Dat leidt er vaak toe dat ze kiezen op dikte of op het plaatje van de omslag. Of wat hun vriend(in) om hen heen kiest. De tekst op de achterflap is niet geschreven om Nederlandse leerlingen te informeren over het boek, dus brengt vaak niet veel meer helderheid. We proberen hen een beter onderbouwde keuze te laten maken door hen een lijst te geven met voor hen geselecteerde titels, elk voorzien van een samenvatting van ca. 50 woorden in het Nederlands (zonder het einde te verklappen). Daar moeten ze een top 3 van de maken. Elk boek mag maar door een beperkt aantal leerlingen gekozen worden. Pas als ze die top 3 hebben mogen ze naar de mediatheek en hun boek halen. Vervolgens raad ik ze dringend aan om eerst maar eens ca. 30 pagina’s vol te houden in hun nieuwe boek. Want het begin van een verhaal is vaak verwarrend, vreemd, wennen. Daar is doorzettingsvermogen voor nodig. Erg lastig in een maatschappij stampvol keuzes die precies binnen je straatje vallen. „Na die 30 pagina’s beslis je of jij de komende weken een band gaat opbouwen met dit verhaal.“ Of toch een andere kiest van je lijstje. Maar je bent goed geïnformeerd voor het maken van die keuze, dat is waar het om gaat.

Over deze aanpak ben ik aardig tevreden. En ik type-cast natuurlijk ook boeken als ik hun top 3 zie. „Dit is iets voor jou denk ik.“ Of: „Deze titel lijkt me iets voor jou omdat je hem zelf nooit zou kiezen. Maar hij past wel bij je want…“.  Dit zijn de leukste gesprekken vind ik omdat ze leerlingen in contact brengen met dingen die ze niet al wisten, kunnen of zelf zouden kiezen. Voor mij is dat dé waarde van school en het „in gebondenheid“ van de vrijheid van Dalton: School is er niet om je te bevestigen in wat je al leuk vindt, kunt of doet, maar om jou uit telkens weer even uit je evenwicht te brengen, jou te confronteren met nieuwe dingen. Daardoor weet je steeds beter wie je bent en wat je nu eigenlijk zelf wil en kan.“ Hoe gek het ook klinkt: om werkelijk vrij te zijn en vrij te denken is soms een beperking van vrijheid nodig. Anders blijf je in je eigen cirkeltje ronddraaien en kom je niet veel verder. TIP: Gert Biesta schrijft daar geweldige boeken over: „Het prachtige risico van onderwijs“ en het recente „De terugkeer van het lesgeven“.

Ha, je bent er nog? Mooi! Dan herken je vast wel het „motivatieprobleem“ voor veel leerlingen die zich een moderne vreemde taal eigen moeten maken. Ze staan niet te trappelen om een reeks vrij simpele oefeningen te maken. En al te open opdrachten leveren nog niet altijd voldoende leerwinst op of kunnen niet zelfstandig uitgevoerd worden. De slimmere leerlingen worden niet echt uitgedaagd door dingen invullen, woordjes leren en een beetje grammatica. Er zit geen (complexe) puzzel of uitdaging van belang in, je hebt niet het gevoel dat je echt iets „kunt“ als je dat zaakje moet stampen. De echte slimmeriken vinden dat noeste stampen maar een dommige klus. Dat is het ook. Je ziet hen ook naar de lesstof kijken en – na een jaar Duits – zichzelf inschatten: „OK, even leren kort voor de toets, en klaar is Kees.“ Of ook: „Of ik die oefeningen nu maakte of niet, ik haalde nog steeds een goed cijfer, dus het bewijs is daar: oefenen helpt niet en het leren zelf kun je ook nog even uitstellen tot kort voor de toets“. Dit dilemma los ik niet op door maar te herhalen dat ze „straks“ bij het mondeling of in de bovenbouw minder weten omdat ze het maar even snel in hun hoofd smeten. Pubers leven in het nu, straks is straks. Je kunt als leraar ook kiezen voor een soort verbeten actie: „Mooi, als jij niets doet, dan stop ik wel een paar zinnen / opdrachten die letterlijk in het boek stonden ook zo in de toets, dan zul je nog wel inzien dat je die opdrachten serieus moet maken“. In mijn ogen ben je dan met iets anders bezig dan met het leren inzien dat oefenen van belang is en dat een taal niet een kwestie is van „leren“ maar van „leren + verwerven door te doen“ is.

Ik heb geen toveroplossing, want „de“ toets kan ik niet even 1:1 afstemmen op wat je aan het oefenen bent. En dat noeste werken is nu eenmaal niet perse spannend of uitdagend, net zo min als allerlei andere dingen in het leven waar je hard voor moet werken. Net zomin als in je sportwedstrijd keren precies alle elementen van de training terug in een toets. Om hen meer bewust te laten zijn van het feit dat je dat wat je leerde moet kunnen gebruiken probeer ik in de lessen sinds dit jaar bewuster dan ooit leerlingen per les één keer echt te laten spreken, schrijven, lezen of luisteren. (die „formatieve opdrachten“ zoals ik ze noem). Om bij de sportvergelijkingen te blijven: „Ga dat veld op en probeer het gewoon uit!“ Dan merk je tenminste ook of je iets kunt. En je trainer kijkt mee en zegt globaal hoe het er voor staat. Dit leidde er toe dat een leerling vorige week zei: „Ik ben nog niet goed in luisteren, want kan ik daar aan doen?“. Of omgekeerd: „Spreken gaat wel goed!“. Dit zit dicht op het element competentie van de motivatie theorie: Het gevoel dat je echt iets kunt.

Helaas, het zijn er echt maar een paar die dat zeggen in mijn lessen. Maar ik weet zeker dat als ik hen maar genoeg vaardigheden laat ervaren en het daar veel vaker met ze over heb dan over cijfers, ze die manier van denken meer eigen maken dan tot nu toe. Ik wil de leerling weg brengen van : „Ik mag nog een 2,8 halen, dan sta ik nog een voldoende.“ Dat kan ik afdoen als „leerlingen gaan alleen nog maar voor cijfers“. Maar kinderen zijn zo niet op de wereld gekomen, dat hebben ze van ons meekregen.

Als heel de formatieve opzet er toe leidt dat leerlingen naast dat gereken hun eigen taalvaardigheid veel beter in kaart hebben en voornemens hebben op dat gebied is de missie meer dan geslaagd! Nee, simpel wordt dat niet. Simpele oplossingen bestaan niet in het onderwijs. .

Een ochtendje ouders mailen

Loslaten of vasthoudend zijn? In mijn beide 3V klassen is de werkhouding buiten mijn lessen gemiddeld echt onder de maat. Ook al moeten ze minder opdrachten maken dan in klas 2: in de les doen ze zeker mee, maar thuis? Dat valt dan erg tegen. Vorige week, nog maar enkele dagen voor de toets, was er een aantal leerlingen dat ofwel erg weinig of zelfs het hele jaar nog geen enkele opdracht zelfstandig gemaakt had. Natuurlijk heb ik die leerlingen hier al eerder op aangesproken en ook vaker dan een keer. Hun eerste toets was een drama. En dan komt de volgende toets en je ziet: nog steeds niets gedaan.

Ik ben er erg voor om dingen tussen mij en de leerling te laten en op te lossen en niet zomaar de ouders er bij te halen. Het kind zit in je klas, niet de ouders. Maar… op een gegeven moment voelt het als „wegkijken“ als ik weet dat ze nog helemaal niets doen terwijl ze daardoor niet goed voorbereid zijn. Zeker als zo’n kind ondanks vele aansporingen maar niet in beweging komt. Ouders „zien“ dit nog niet te midden van andere cijfers, die voor een „verhullend“ cijfergemiddelde zorgen.

Dus na wat wikken en wegen toch maar een basismail opgesteld en per-kind-met–grote-achterstand een mail naar huis plus een CC: naar de leerling zelf. „Beste ouders, …. Hierbij wil ik u een seintje geven over de vorderingen van uw kind voor Duits. Op dit moment hebben we twee hoofdstukken afgerond. In totaal … opdrachten, waarvan uw kind er … gemaakt heeft. Voor de afgelopen toets had uw kind een … . De stof begrijpen door er mee te oefenen en daardoor vaardiger te worden is onmisbaar op weg naar een betere taalvaardigheid. In de laatste lessen voor de toets oefenen we ook in de klas intensief met de moeilijkste onderdelen van de lesstof. Dit levert helaas weinig op als je de stof nog niet gezien hebt. Wilt u met uw kind hierover spreken? Graag hoor ik wat ik voor de begeleiding van uw kind kan betekenen. Als er bijzondere omstandigheden zijn hoor ik het graag…  enz. „

Ik besef: Je gooit natuurlijk een soort „handgranaat“ in zo’n gezin. Die zonnige herfstzondag is grondig naar de knoppen geholpen door die nare leraar Duits. Toch denk ik dat mijn band met de leerlingen goed genoeg is en blijft. Ze weten dat ik dit uit zorg doe en niet om ze eens eventjes klem te zetten vanwege een paar opdrachtjes.

Volgens mij is het zo aan het begin van het jaar een belangrijk signaal voor ouders. Op één ouder na hebben ze allemaal geantwoord. De antwoorden waren van de strekking: „We schrikken hiervan / Goed dat u dit even laat weten / Wij gaan in gesprek. / Wij herkennen dit beeld helaas.“ De maandag daarna in de les geen onvertogen woord. Maar bij sommigen meende ik ook een serieuzere blik („Oh, het is dus ook echt wel een probleem“) blik te ontwaren. Soms komt de boodschap opeens wèl aan in die ondoorgrondelijke puberbreinen. Gelukkig kon er echt nog wel een lachje af toen ik zei dat sommigen misschien opeens hun zakgeld ( of erger: Netflix account!) kwijt waren, of een misschien een dartbord hadden met een plaatje van een bepaalde docent in het midden?

VOLGENDE WEEK: To Kahoot or not to Kahoot?

Neem deze vraag niet al te letterlijk. Het gaat mij om de keuze van, laat ik het noemen: „aanlokkelijke werkvormen.“ Net als elke docent ben ik op zoek naar werkvormen die motivatie oproepen èn leerzaam zijn. Kahoot! bijvoorbeeld: De adrenaline giert door de kids. Maar wat leert een leerling er van? En wat misschien toch niet? Daarover wil ik volgende week graag een keer schrijven.

Nieuw mvt-curriculum

Begin 2019 worden de bouwstenen voor het nieuwe mvt-curriculum voorgelegd aan de Tweede Kamer. Curriculum.nu constateert dat er vanuit mvt-docenten nog relatief weinig feedback is gekomen. Omdat alle docenten uiteindelijk met het nieuwe curriculum zullen moeten werken, willen we iedereen alsnog uitnodigen om feedback te geven op het tussenproduct van het ontwikkelteam Engels/mvt. Feedback geven kan tot en met 14 november op www.curriculum.nu

 

Met hartelijke groet,

 

Visiegroep Buurtalen

 

Week 8 in lokaal 122: Buongiorno tutti!

Een keer per week zit ik met vier anderen samen en volgen we Italiaanse les. Gezellige mensen met een vergelijkbare leeftijd, achtergrond en belangstelling. Gewoon, conversatie-Italiaans. Onze juf is Italiaanse en doet het geweldig. Niets bijzonders dus. Maar wat een indrukwekkende ervaring is dat eigenlijk. Je beseft meteen weer welke inspanning een nieuwe taal leren kost. Een voorbeeld: De getallen, hè ja,  da’s natuurlijk zo lekker concreet. Hoppa, even leren: uno, due, tre, quattro enzovoort. Je voelt je al snel een vero held! Prima, zeg dan nu even je telefoonnummer in het Italiaans per favore vroeg Fulvia onverhoeds. Nou, daar gaat ‚ie., Uche, ehm… zero eh…. sei eh…. even denken o ja cinque enzovoort. Dat valt nog even vies tegen! Die trotse getallen die je – opgeborgen in die vaste volgorde – zo stoer snel kon opzeggen blijken in de realtà niet meteen geautomatiseerd door elkaar toegepast te kunnen worden. Kortom: Je weet dat het leren van een nieuwe taal een hele klus is, maar dat het echt weken duurt voordat je een soort „ik kan echt niks zeggen“ gevoel een beetje kwijt begint te raken, je beseft het opeens weer als je het zelf doet.

En je beseft ook weer: Het rijtje „ich bin, du bist, er ist“ enz. kunnen opzeggen is echt nog maar het prille begin van „vaardig worden in een andere taal“.

Sinds kort worden mijn leerlingen nog wel eens met Buongiorno begroet. Enthousiasme moet gedeeld worden! „Huh? Dat is toch geen Duits?“ is vaak de reactie. Ik denk dat toen God „de leerling“ schiep hij hen een gen heeft meegegeven dat leerlingen wijsmaakt dat elke leraar altijd maar één ding kan en weet. „Die man is van Duits dus die weet niks van de VOC, demografische ontwikkelingen of celdeling. Of Italiaans.“ Ik vertel ze het verhaal er achter. Dat ik wist dat ik met tien klassen een druk jaar zou hebben en iets wilde doen wat mij energie kost maar ook energie teruggeeft, dat ik Italiaans mooi vind vanwege de volle klinkers (net als het Duits) en dat ik ook wel weer eens wilde begrijpen wat het is om een taal te leren, hoe veel energie dat kost en hoeveel geduld dat kost. Het levert leuke gesprekjes op met de kinderen. Ik vertel hen dus ook over het besef dat „het rijtje kennen“ nog maar een pril begin is. En dat ik sindsdien als ik auto rijd en een nummerbord voor me zie even in het Italiaans de nummers probeer te zeggen. Ze krijgen daardoor mee dat ik er daardoor ook een soort „gestaag leerspelletje“ van maak voor mezelf. Laat ze dat maar meekrijgen, het stelt ze in staat om misschien anders naar hun eigen leren te kijken.

Even schrikken trouwens dat er eentje terug begon te praten in het Italiaans. Zijn moeder is Italiaans en hij spreekt het thuis ook wel. Gekscherend trok ik mijn „Ja, zeg, niet van die moeilijke dingen zeggen hoor, dat heb ik nog niet gehad.“ -verdediging op. Zo moeten mijn leerlingen mij dus soms ook ervaren denk ik wel eens. Nu kun je zelfs in een tweedeklas al gerust wat Duits op ze loslaten, want Duits lijkt voor het begrip toch wel veel op Nederlands. De leerdoelen van de les staan in het Duits op het smartboard. Ik laat ze vaak even terug vertellen in het Nederlands. Omdat we natuurlijk vergelijkbare dingen leren en doen is het al snel duidelijk. Over doeltaal voertaal kan ik genoeg uitweiden, maar nu even niet. In twee artikelen van mijn hand die ooit in Levende Talen Magazine stonden pleitte ik voor een anti-dogmatische houding. Alsof er alleen een leven bestaat als alles in het Duits is of alles niet. En vaak vind ik de discussie ook te veel bij het doeltaalgebruik van de docent blijven hangen. Natuurlijk moet de docent als eerste het voortouw nemen, maar nog lastiger is de vraag hoe we leerlingen in staat stellen om dat wat ze leren ook te gebruiken. Meteen een bruggetje naar mijn volgende punt: Hoe leer je nu ECHT een taal? Al Italiaans leren besefte ik weer hoe ik het voor elkaar krijg. Daarover zometeen meer.

Hoe leer je eigenlijk een taal?

Ook bij ons op school nemen we (naast de pure vaardigheidstoetsen) in klas 2 en 3 proefwerken af, met woorden (die staan in het Nederlands gehusseld boven een reeks zinnetjes, ze moeten het passende in te vullen woord in de zinnen daaronder bedenken en in het Duits opschrijven),  een stukje schrijven, lezen en luisteren. De grammatica laat ik traditioneel toepassen in een opdracht die daar even op focust. Bijvoorbeeld „haben en sein“ toepassen. Omvorm opdrachten (du – haben ==> du hast) heb ik niet veel mee voor havo/vwo leerlingen. Hieronder zie je waarom.

Losse woorden vragen we de laatste jaren niet meer in die toetsen. Ik denk dat je bij het moeten bedenken „welk woord past hier eigenlijk“ de zin goed moet lezen, je van de betekenis van die zin bewust moet worden en daardoor dieper met de betekenis bezig bent dan met een opdracht als „vertaal deze losse woorden“. Dat laatste is niet vreselijk, verboden of verdorven, maar het zit hem meer op het niveau „bij code A wordt het code B“. Het is mechanischer: Je bent niet iets aan het „zeggen“ (intentie), je bent iets aan het „herinneren“ (geheugen). Ik ben er inmiddels van overtuigd (door mijn Italiaans avontuur): Je onthoudt het pas ècht als geheugen en intentie gekoppeld zijn. De leerling die (zie een vorige blogpost van mij) kwam vragen hoe je „schnitzel met friet“ in het Duits zegt (om dat te gebruiken in zijn spreekopdracht) zal dit veel beter onthouden dan de leerling die gewoon het voorbeeldzinnetje uit het boek pakte, leerde en op het juiste moment kon als een soort „knippen en plakken“ oproepen. Misschien is dit niet bepaald een eye-opener voor je, maar voor mij betekent het dat ik op zoek moet naar nog meer manieren om hen iets te „willen“ laten „zeggen / bedoelen“ in plaats van alleen (maar) te herinneren.

Volgens mij lukt dat het beste als je productief bent: iets zeggen, iets schrijven. De angst van „de docent“ dat daar wel eens een fout in zou kunnen zitten is misschien niet behulpzaam op het moment dat leerlingen dan maar helemaal niet meer in staat gesteld worden om die ervaringen op te doen. Ik merk dat ik zelf (braaf met WRTS mijn Italiaanse woordjes lerend) neig naar het maken van zinnetjes en varianten van die zinnetjes – en daar het liefst ook woorden in gebruik die ik aan het leren ben. Als ik net weet hoe je zegt „Kan ik een koffie krijgen“ probeer ik ook eens iets anders met „Kan ik x krijgen“ te zeggen. Ik merk dat dat mijn intentie-gerichte leerstijl is (oei, leerstijlen, wetenschappelijk inmiddels bewezen flauwekul, maar goed, noem het „voorkeursaanpak“). Dan pas heb ik het idee dat ik iets „kan“ in plaats van „kan oproepen“. Nu hoeft mijn leerervaring niet universeel geldig te zijn, maar ik ben dit meen ik wel eerder in cognitieve leertheorieën tegengekomen.

Deze week was de opfris en herhaalweek voor klas 2. Hun toets over hoofdstuk 1 + 2 (dit jaar doen we geen SOtjes meer, maar „dakpantoetsen“, de volgende is 2+3, 3+4 enz.) komt er aan. Wat leer je van het maken van de invulopdrachten in de methode? Wel iets, maar het kan ook zomaar langs je heen gaan. Alles braaf ingevuld, maar als je een leerling vraagt: „Vertel eens, waar ging dit hoofdstuk nu over, wat voor nieuwe dingen zijn we de laatste weken aan het leren?“. Dat is nog een verdraaid lastige vraag, en te midden van 11 andere vakken wordt dat er niet eenvoudiger op. Daar mag ook wel wat begrip voor zijn. Kortom: Wij als docenten zijn ronduit onmisbaar om ze regelmatig bewust te laten worden van het „waarheen en waarvoor“. Dus weer even terug naar de leerdoelen: „Je kunt jezelf nu voorstellen. Je kunt een gesprekje voeren over eten en drinken en je weet hoe je in een restaurant iets kunt bestellen.“ O ja, zie je ze denken, dat is waar ook!

Met haben en sein heb ik een loopspel gemaakt. Het is altijd veel hectiek, maar het past zo goed bij de leeftijd van de tweedeklassers. Ze doen enthousiast mee en van dat soort hektiek merk ik dat zelf wel moe ben na afloop maar vooral ook voldaan moe. Op gelamineerde A4-tjes zoals hieronder heb ik alle combinaties gemaakt. Precies 9 x 3 combinaties (een set voor haben en een set voor sein).

Het spel is simpel. Ik laat ze even de bovenstaande foto zien (nog in de klas) en vertel dat we in meerdere rondjes de werkwoorden haben en sein oefenen. Ze moeten dan de kaarten uit mijn handen komen grissen (letterlijk ja), rennen maar naar welke woorden bij jouw kaart horen en maak daarmee de juiste trio’s! „In hoeveel tijd kunnen jullie dit?“ is de aanmoediging om het lekker snel te doen (automatiseren maar kinders!) Ze kunnen er veel energie in kwijt en je merkt dat ze er van leren, want je moet echt weer even denken. Wat was „er“ ook alweer? En waarom kan achter „ihr“ niet „haben“, het is toch ook „jullie hebben“. Dit zijn denk ik natuurlijke concepties (analogie met Nederlands) die je als jonge leerder hebt en die omgevormd moeten worden. Net als altijd zie je ook de niet-optimale leerhouding van sommigen terug. Ze kiezen meteen de gele, die met het Nederlands erop. Je hoort ze denken: „Dan moeten de anderen naar mij komen, en dat is dan hun probleem“. Een enkele andere kijkt niet echt, wacht af tot er ergens een „gat“ overblijft. En wat ook wel eens gebeurde: De leerlingen gingen met zijn drieën bij elkaar staan, maar niemand van het trio kijkt of het wel klopt. Begrijp me goed: Leuk vonden ze het, maar kritisch zijn en goed samenwerken: het is ook gewoon niet zo simpel. Je moet dat ook maar leren. Ironisch genoeg was het juist de „schoffies“-klas van de 2 tweedeklassen die ik heb die de snelste tijd neerzette. Ik heb een psychologische theorie van de koude grond bij klassen waar veel grote ego’s in zitten (die elkaar vervolgens natuurlijk allemaal in de weg zitten). Types met ego’s hebben een sterke wil en een soort „power“. ALS die ego’s dan eens de kant op gaan die leraren zo graag zien gaan ze los. Ooit las ik ergens: „Wantrouw de brave hardwerkende meisjes die de opdrachten keurig op tijd in het mooiste handschrift nagekeken hebben“. Precies: Zij maken mogelijk te weinig connectie met de leerstof en moeten nog het lef ontwikkelen om anderen aan te spreken. Zij zijn te veel gericht op het vermijden van onzekerheid.   

Volgende les ga ik iets bedenken om de intentie er nadrukkelijker aan te koppelen. Ik denk dat ik ze per persoon een andere identiteit / spullen geef (kaartje of voorwerp) en dat ze elkaar daar naar moeten gaan vragen. Het is nu geen kwestie meer van combineren, maar nu moet je het zelf bedenken en zeggen. „Bist du… ein Superheld?“ „Ja, ich bin… ein Superheld“   „Hast du … die Marmelade?“, „Tut mir leid, ich habe …. Käse“. Ik denk dat het weer iets wordt met lopen, tweetallen of speeddate-vorm…  

A la prossima volta! 

VMBO-Treff

Voor docenten Duits die lesgeven aan het vmbo en havo onderbouw organiseert het Duitsland Instituut op donderdag 22 november een nascholings- en netwerkmiddag. De locatie is het Deltion College te Zwolle, waar we beginnen met een rondleiding door de enorme mbo-school. Hierna volgt een workshop over Gamification en wisselen wij lesmateriaal en werkvormen voor spreekvaardigheid uit. Aanmelden

Docentendag Duits Radboud Universiteit – 15 november 2018

Am 15. November organisiert die Radboud Universiteit Nijmegen den alljährlichen Docentendag Duits. Es gibt ein sehr schönes und abwechslungsreiches Programm mit Referenten aus D und NL, von Schulen und Universitäten, siehe:

https://www.ru.nl/pucsociety/docenten/nascholing/docentendag-duits-15-november-2018/

 

FORUM TWEETALIG – 22.11.2018 – Ubbergen

FORUM TWEETALIG

– eine Praxistagung zur Mehrsprachigkeit an der euregio realschule Kranenburg

Zeit: Donnerstag, den 22. November 2018 um 19.00 Uhr Ort: Die Aula der Havo Notre Dame in 6574 AJ Ubbergen, Kasteelselaan 50

 

Die zweisprachige euregio realschule in Kranen­burg, direkt an der deutschen Grenze bei Nijmegen, geht jetzt in ihr drittes Jahr.

Das Konzept der Zweisprachig­keit umfasst die folgenden Punkte:

  • – Verbindung von Niederländischer und Deutscher Schulkultur
  • – Konsequent zweisprachiges Personal
  • – Die Fächer werden jeweils zur Hälfte auf Niederländisch und auf Deutsch gegeben.

Diese Eckpunkte die Schule relativ gut selbst kont­rollieren. Ihr Einfluss auf die Entwicklung der Zweisprachigkeit in der Schülerschaft ist aber beschränkt: Zweisprachigkeit wird bei Aufnahme nicht vorausge­setzt, sondern nur der Wille dazu.

Die Kinder bringen von Haus aus die unterschiedlichsten Voraussetzungen mit:

  • – rein einsprachig Deutsch
  • – einsprachig Niederlän­disch, aber in Deutsch­land wohnend
  • – deutsch-niederländisches Elternpaar

Die einsetzende Pubertät öffnet dann mit der Suche nach Identität und Autonomie eine ganz neue Dynamik, in der auch die Schulsprachen eine Rolle spielen.

 

Wer spricht welche Sprache zu welcher Zeit und zu welchem Zweck?

Diese Frage stellt man sich in der Schule täglich neu. Seit dem Start 2016 wird halbjährlich im „FORUM TWEETALIG“ über die Entwicklung der Zweisprachigkeit an der Schule berichtet. Auch dieses Jahr, am 22. November 2018 steht ein didaktisches Thema zur Diskussion: kontrastive Didaktik in Beiträgen von Joana Duarte, Eva Knopp und Horst Baranowski werden die Chancen und Grenzen ausgelotet, die sich aus der nahen Verwandtschaft von Deutsch und Niederländisch für den Schulunterricht ergeben.

 

Teilnahme ist gratis. Ihre Anmeldung bitte bis spätestens 15. November 2018 per E-Mail an sekretariat@eureschule.eu einreichen.

Hier klicken für das Programm

 

Zingen in je klas? Brrr of jaaa?

Vreemd eigenlijk: Kinderen zijn gek zijn op tekenen en zingen. Oudere kinderen en volwassenen vervallen vaak meteen in: „Ja maar ik kan niet mooi tekenen!“ en „Ik kan echt niet zingen!“ zodra de situatie zich voordoet. Jonge kinderen zijn niet bezig met „hoe goed“ ze dat allemaal kunnen. Ze hebben er gewoon plezier in. Daarover zo meteen meer. Eerst even een zijpad:

Een paar jaar geleden kregen we met alle collega’s van onze scholengroep een lezing van neuropsychologe Margriet Sitskoorn. Het was een flitsende show, een mix tussen TED-talk en een vrouwelijke Hans Klok zal ik maar wat oneerbiedig zeggen. Een zaal vol docenten hing aan haar lippen. Maar niet de hele zaal. Daartussen zat mijn mopperende ik – sorry – op mijn horloge te kijken… Persoonlijk heb ik niet zo veel met die neuropsychologen-praat over puberbreinen. De ontdekking dat hersenen niet per exact je 18e levensjaar stoppen met ontwikkelen leek me voor de hand liggen. En dat pubers erg gericht zijn op directe beloning, dat hun zelfsturing en inzicht in oorzaak-gevolg nog volop in ontwikkeling is: het was me niet ontgaan de laatste 25 jaar in mijn werk. Ook zonder plaatjes van hersenen. (En ik ben niet tolerant merk ik, als collega’s om je heen volkomen kritiekloos naar een soort „goeroe“ kijken…)

Geen enkele relevantie voor leraren

Professor Dylan Wiliam, min of meer de woordvoerder van formatieve assessment, constateert nuchter: „There is not a single finding in educational neuroscience that has any relevance to teachers. Not one. But what educational neuroscientists do to make it sexy is they show a picture of a brain with some regions lit up in a different colors, and than, they immediatle switch into cognitive science“. Je kunt het hem hier horen zeggen, als onderdeel van een presentatie over hoe we het onderwijs effectief kunnen verbeteren:

Wiliam „ontmaskert“ deze neuropsychologen-praat dus door te stellen dat ze al snel overgaan naar resultaten uit een ander vakgebied: de cognitieve wetenschappen. Daar moest ik meteen aan denken toen ik in laatst een berichtje over „Zingend talen leren“ zag van neuropsycholoog Erik Scherder. Dat je veel leert als je meerdere zintuigelijke „kanalen“ tegelijk benut is bekend vanuit de cognitieve wetenschappen. Zingen is een mooi voorbeeld daarvan. Ik vond het leuk dat Scherder dit oppakt en op een leuke manier uitlegt: zie hier. Als hij dit nu zingend had gedaan was het helemaal geweldig geweest natuurlijk ;o)

Zingen in je klassen? Hoe dan?

Een paar jaar terug ben ik begonnen met zingen in mijn klassen. Niet als een of andere drastische koerswending in mijn didactiek, maar gewoon af en toe. Mijn tips:

  • Geduld: het heeft mij 20 jaar gekost voordat ik het durfde…. Dat vertelde ik de leerlingen als eerste voordat ik begon. En toen vroeg ik hen om mij te helpen door mee te zingen. En dat deden ze!! Dat gaf mij de moed om het vaker te gaan doen.
  • Het helpt juist als je zelf niet „fantastisch“ kunt zingen: de kinderen zien het plezier dat je hebt en dat volstaat.
  • Kijk eens op www.karaoke-versie.nl – van veel Duitse liedjes kun je hier goede video-karaokeversies kopen, voor een habbekrats. Op YouTube vind je er  ook genoeg, maar vaak is de kwaliteit erg matig (vaak vol spelfouten ook). Bijkomend voordeel: je kunt dan met de hele klas zingen zonder blaadjes uit te hoeven delen. Bovendien laat een karaoke video door de kleuren meteen zien wat je wanneer moet zingen.
  • Ik maak het altijd relatief donker in het lokaal, dan durven nog meer kinderen gewoon leuk mee te zingen.
  • Het is niet vreselijk als een paar kinderen niet echt goed meezingen, mijn ervaring is  van de soort „als er één schaap over de dam is, volgen er meer“
  • Ga eens met zijn allen staan, dat zingt makkelijker is mijn ervaring. Het haalt leerlingen alvast uit hun „toekijk“ en „afwacht“ stand.
  • Ik kies alleen liedjes waar ik zelf wat mee heb
  • Ik laat de liedjes al eens in een paar lessen eerder horen. Je merkt vaak dat ze de muziek leuk vinden en ze herkennen het dan beter in de les waarin je gaat zingen.
  • Kies liedjes met teksten die de leerlingen grotendeels begrijpen.
  • Jonge leerders hebben grote moeite om die klanken heel heel snel te moeten zingen. Zeer snel gezongen teksten zijn al snel ongeschikt.
  • Iets met meeklappen op een bepaald moment is altijd leuk. Daar kan ook mooi wat energie naar toe (en het disciplineert onbewust, merk ik altijd)
  • Zing zelf het couplet, laat de leerlingen het refrein zingen
  • Bij een tof klasje: Draai af en toe het geluid naar de achtergrond: je hoort dat de klas aan het zingen is!
  • Benoem de meest enthousiaste meiden tot het koortje bijvoorbeeld, afhankelijk van het lied.
  • Soms voor de fun: een leuke prijs voor de meest enthousiaste meezingers / performers.
  • Ik laat leerlingen uitleggen waarom zingen helpt om de taal te leren (woordenschat en vooral: automatiseren van uitspraak!)

Heb je ook tips voor zingen in de klas? Reageer dan hieronder of in de Facebook groep Leraar Duits!

Week 7: Lokaal 122: „Mag je ook zeggen dat…?“

Ik vermoed dat elke docent bij de vraag van een leerling: „Mag je ook zeggen, dat…?“ een vreugdedansje doet. Je merkt immers dat een leerling bezig is met zijn/haar eigen dingen te formuleren en hulp of bevestiging zoekt om iets inhoudelijks te willen communiceren. HIER WIL IEMAND LEREN! galmt de docentenstem in jezelf. Jij gaat die avond sowieso super tevreden slapen…. Afgelopen vrijdag was het zover. Het zijn het soort vragen die je doen vergeten dat je dankzij de toetsweek voor de bovenbouwklassen met je hebben en houwen verhuisd bent om twee gangen verderop in een snikheet lokaal aan die drukke weg (A: ramen open = herrie/  B: ramen dicht = verstikkingsgevaar …kies antwoord A of B) in een inferno van tweedeklassers beland bent, die allemaal druk bezig zijn met hun dialoogopdracht voor Kapitel 2 te maken en – nog dit uur op te nemen met hun Chromebook. Hijg… ben je er nog? Best wel druk op de ketel dus. Gelukkig had ik de klas na de pauze, dus kon ik in vooraf even alvast wat bankjes in „studio-opstelling“ plaatsen. Dit houdt in: zoveel mogelijk in duo’s tegen de vier wanden aan en een paar bankjes + stoelen op de gang zetten.

Zo kan elk duo zich goed concentreren en opnemen met een muur/wand voor zich, wat de geluidskwaliteit ten goede komt. Zoals ik al eerder schreef nemen ze het gesprekje op met hun Chromebook en als ze daar op ca. 30 cm afstand van vandaan zitten is het ondanks achtergrondgeluid uitstekend te horen. Maar een paar rustige plekjes op de gang vinden ze ook wel fijn natuurlijk.

Wat was de bedoeling?

We zijn een eindje op weg met Kapitel 2 uit ons boek, met een herkenbaar en praktisch onderwerp: Eten en drinken. Het eerste blokje spreekzinnen leek me bij uitstek geschikt om voor hen als basis voor een deels eigen gemaakt gesprekje. Per tweetal moesten ze een gesprekje bedenken (5 vragen + 5 antwoorden) waarin 2 vrienden bij elkaar zijn om wat te eten en te drinken en de een de gastheer/vrouw is, de ander de gast. In de instructie (die ze de les daarvoor al even te zien kregen en in hun Classroom na te lezen was) heb ik duidelijk gemaakt dat ze een paar kleine varianten ten opzichte van de zinnen van het boek moesten bedenken. Bijvoorbeeld dat je zin had in Cola in plaats van Apfelsaft. „Of bedenk iets anders wat er goed bijpast.“ Zeg maar 80% goed gejat, 20% van jezelf. Niks schokkends, geen wedstrijdje in wie de langste dialoog maakt. Ook probeer ik hen duidelijk te maken: Spreek rustig, met overtuiging en bij het opnemen van het gesprek: Doe het over, net zo lang tot je tevreden bent. Dat laatste was echt leuk om te zien. Tussendoor komen er veel vragen over de uitspraak: een teken dat ze er voor gaan. De les daarvoor had ik alle zinnen even voorgelezen en hen laten naspreken, dat helpt al een heel eind. Natuurlijk vragen leerlingen: „Paul, kun je ons gesprek even helemaal lezen en goedkeuren?“ Helaas, dat doe ik niet. Ze mogen wel een los ding vragen, bijv. een woord of hoe je iets uitspreekt. Natuurlijk zie ik ook wel eens „du wollst“ opduiken. Dan geef ik wel een tip, maar „zonder vrijheid geen ontwikkeling“ denk ik dan. Ik weet het, sommige collega’s breekt het koude angstzweet uit. „Dan gaan ze die fout inslijpen!!!“ roept hun alarmstem. Ik geloof dat dat wel losloopt met dat inslijpen, zeker als ze dit ene gesprek later nabesproken wordt. Bovendien, kijk eens goed: Deze leerling „weet“ dat je bij du iets met -st krijgt. Volgende de leertheorie is hypercorrectie zelfs ontzettend leerzaam: Je leren vergroten door een eerdere aanname te herzien.

In de les zie ik ze volop twee-aan-twee vaak in hun Chromebook het gesprek uitwerken, al of niet in een gedeeld document. En dan instuderen. Opnemen mag alleen als ze mij vooraf een seintje geven, want ik wil perse dat ze het instuderen en niet voorlezen. Dit gaat goed. Wel moest ik de tijd goed in het oog houden, omdat sommige duo’s maar blijven oefenen en onderschatten dat terugluisteren en uploaden en op de juiste inleverknopjes klikken in Classroom ook even tijd kost. Ook wel leuk: Niemand vroeg of het voor een cijfer was. Ze weten toch wel dat ze beoordeeld worden, en dat niet alles meteen „je kop kost“. Integendeel. Word maar gewoon beter door het veel te doen! En ze vinden het … leuk!!

FOTO: Niet gehinderd door angst: Je kunt je Chromebook ook op de deurgrepen zetten en het al staande even opnemen op de gang. Slimme oplossing en…lekker rustig!

Direct na het opnemen horen ze het terug, „balen“ op een gezonde manier van een fout of vergissing en nemen het nog eens op. Mijn doel is: lekker oefenen en beter worden in plaats van „Ziezo, klaar inleveren“. Bijzonder moedig vond ik de jongen die naar mij toekwam om te vertellen dat zijn partner niet goed meewerkte. OK, even een kort gesprek op de gang. Je weet het, dit wordt zo’n Rijdende Rechter Frank Visser moment… Of „de klager“ gelijk had? Ja, was het onomwonden antwoord van de „beschuldigde“. Of hij bereid was goed samen te werken? Ook daarop een helder ja. „Fijn mannen, laat het maar zien dan!“ Even later zag ik dat het wel weer ging. Kortom: al met al een intensieve, leuke en effectieve les, met veel samenwerking, het begin van je eigen bedacht Duits en „mastery learning“: doorgaan tot je er beter in bent. Komende week hebben ze hun eerste MO, ofwel mondelinge overhoring. Ook weer in tweetallen. Daarvoor moeten ze drie gesprekken kennen, waarvan ze er tot nu toe 2 voor geoefend hebben. Ik denk dat de meesten dit prima gaan doen. Ik kijk er naar uit om hun gesprekjes in Classroom te beluisteren, gelukkig niet van iedereen, maar per duo dus dat scheelt de helft in beoordelingstijd! Verderop in het jaar komen alle gesprekken terug in het volgende MO, met weer nieuwe er bij. In totaal dus drie keer, met de oplopende weging 1, 2 en 3. We willen dat spreken motiveert. Het is bij uitstek de vaardigheid die je het gevoel geeft dat je ECHT iets kunt met een taal!

Wat is jouw Duits waard?

Dat was de intrigerende vraag voor de 4-HAVO en 4-VWO klassen deze week. In hun laatste les voor de toetsweek vroeg ik hen in hun digitale Mein Deutschportfolio (zie mijn vorige blogbijdrage in deze reeks) aan te geven in hoeverre ze volgens hun eigen inschatting de daar getoonde leerdoelen van deze periode bereikt hadden. Ze konden dit met stoplichtkleuren per leerdoel aangeven. Ook konden ze even in „Meine Sprachfertigkeiten“ terugkijken hoe veel % ze voor de diverse puur vaardigheidsgerichte opdrachten „gescoord hadden“. Maar ja, wat vul je dan als leerling in in dat gele vakje waar je een cijfervoorstel voor je „PO Formatieve Opdrachten“. Opvallend was dat leerlingen hun voorstel vooral baseerden op „Ik heb mijn best gedaan“, „Ik heb de opdrachten op tijd ingeleverd“ enzovoort.

 

Ik denk dat de zin en betekenis van dit PO hen nog niet helemaal duidelijk is (hier ligt een klus voor mij!) en ja, het zijn „grote kinderen“ die ook gewoon waardering willen voor hun inzet. Alleen is het cijfer – zo hebben we het beschreven in het PTA – vooral gebaseerd op de vaardigheden en slechts deels op hoe iemand er in investeert om er beter in te worden. Dit concept moet bij de leerlingen verder groeien denk ik. Opvallend: Sommige zwakkere leerlingen vragen om een behoorlijk hoog cijfer, sommige betere zijn juist erg bescheiden in hun wens of inschatting van hun eigen kunnen en doen. Aan mij de taak om – met de weinige gegevens tot nu toe – een eerste cijfer te bepalen en de motivatie daarachter goed te delen met de leerlingen. Dit kan niet individueel, dus wordt het een korte toelichting in de klas.

Stel twee vragen over Duits!

Mijn collega Rob vertelde ooit dat hij leerlingen wat actiever wilde hebben na afloop van presentaties door medeleerlingen. Na afloop van de presentatie moest daarom iedereen 3 vragen kunnen stellen. De presentatie van het groepje in kwestie ging over een film die ze gezien hadden. Rob wijst een leerling aan die naar de presentatie geluisterd heeft: „Welke vragen heb je?“. Er kwamen 3 vragen: „Heb je nog een andere film gezien?“+ „Heb je nog iets gekocht in de bioscoop?“ + „Was dat lekker?“. We vinden het allebei een mooie anekdote over puberteit en moeten er altijd nog om lachen. Veel leerlingen hebben inhoudelijke vragen, maar weten niet altijd dat ze ze hebben. Omdat ze er gewoonweg niet bij stilstaan, of omdat wij als docenten niet de tijd en rust nemen op ze te laten oproepen. Naar aanleiding van de tweet van een Amerikaanse docente die „viral ging“ (zie plaatje hieronder) wilde ik het in 4-HAVO en 4-VWO toch graag eens oppakken.

 

 

Op een memo-blaadje na afloop van de woordentoets (voordeel: ze zitten alleen, dus beïnvloeden elkaar niet) verzocht ik iedereen om twee vragen voor mij te bedenken. De instructie was: „Wil je twee vragen opschrijven die je hebt over het vak Duits?“ Meer niet. Ik wilde perse niet verder beïnvloeden. De eerste vraag lukte iedereen wel, maar die tweede… Dat was een pittige voor velen: „Wat moet je in hemelsnaam vragen?“ Natuurlijk zaten er ook grappige vragen bij: „Hoeveel provincies [sic!] heeft Duitsland?“. En één leerling bedacht deze twee: „Hoe haal je goede cijfers bij Duits?“ + „Hoe word je beter in Duits zonder te hoeven leren?“. Ik weet niet of het toeval was, maar het betrof een doubleur. Toch denk ik dat de meeste vragen wel uit „een“ informatiebehoefte voortkwamen. Er zaten heel wat prima, inhoudelijke vragen bij. Hier een impressie:

Wat te doen met al die vragen? Ik denk dat ik ze vlot ga rubriceren: Op welk gebied zijn de meeste vragen? En die vervolgens klassikaal even bespreek. De vraag rechtsonder „Gaan we veel Duits spreken in de les waar we onvoorbereid voor zijn?“ kwam ik in een andere vorm ook tegen: „Kun je in 6-VWO vloeiend Duits spreken?“. Ik kan ze ook wel plaatsen: 4-VWO kreeg een improvisatie-opdracht spreken voor hun neus waar je u tegen zegt. Voor sommigen stevig buiten hun „comfortzone“, dus dat was best even schrikken. Na de toetsweek gaan we daar mee verder. Natuurlijk kunnen ze allemaal wel (wat) Duits spreken inmiddels (zeker na onze mondelingen in klas 2 en 3), maar sommigen zouden het liefst eeuwig bij de ‚veilige‘ strategie „spreken is zinnen maken, opschrijven, controleren en uit je hoofd leren“ blijven. In 4-VWO is het definitief tijd om dit achter je te laten, fouten en foutjes te accepteren en zelfvertrouwen te leren door te ervaren. Wordt vervolgd!

Een harde les voor 3-VWO – met een plezierig einde…

De 3-VWOers hebben deze week ervaren hoe hun aanpak de eerste weken was: Gemiddeld: niet veel soeps. Terwijl ze het wel degelijk kunnen. Kortom: Hoe krijg ik ze zover dat ze het geloof in eigen kunnen niet opgeven door een laag cijfer en inzien dat hun aanpak de sleutel is tot succes? In de les waarin ze hun toets terugkregen heb ik hen eerst verteld dat ik denk dat iedereen een voldoende kan halen voor Duits. „Ik zie hier geen vreemde, rare of oneerlijke kinderen. Of kinderen die het allemaal niet aankunnen. Ik zag de afgelopen weken vooral jonge mensen die kakelend door elkaar elkaar omlaag praten in hun prestaties. Alsof je nog niet aan het schooljaar begonnen was. Dat zul je zo meteen zien als je je toets terugkrijgt: Het zegt meer over hoe je werkt dan over wat je kan.“  Ze zaten er een beetje raar stil bij, „rijp“ voor een stichtelijk kwartiertje. Daarin heb ik ze geprobeerd te laten inzien hoe succesvol werken er uit ziet aan de hand van een presentatie op het digibord, die eindigde met twee typen leerlingen. Kort samengevat: Type A is van de soort „Moet je ook nakijken?“ en „Hoeveel fout mag je hebben?“ en Type B is van de soort: „Ik wil nakijken want ik wil zeker weten of ik het kan vòòr de toets“ en „Fouten gebruik ik om beter te worden.“ Op een blaadje verzocht ik hen op te schrijven, wie ze zelf waren (A of B) en wie ze het liefste wilden zijn. Ook vroeg ik hen mij tips te geven hoe ik de lessen Duits beter kan doen.

Het leverde een mooie stapel inzichten op – en zoals verwacht: heel eerlijk naar zichzelf. De belangrijkste tip die ik kreeg: „Mogen we ook eens zelfstandig werken?“. Die vat ik wel, ik heb ze de laatste weken overstelpt met „actie op het sportveld“ in plaats van „praten over voetbal in de kantine“. Zoals ik al eerder schreef is er ook tijd nodig om met individuele leerlingen te spreken in de lessen, dus ik denk dat de balans wel een beetje mag opschuiven. De aanleiding voor „In de les DOEN we Duits, thuis en in Daltonuren MAAK je Duits“ blijft staan. Ik wil niet toekijken hoe leerlingen lessen lang in een beeldscherm losse woordjes typen en nooit een vraag hebben omdat de leerstof verkaveld is in kleine, relatief gedachteloos te maken klik-aan, combineer-door-schuif oefeningen. Ik denk dat je heus wel wat daarvan leert, maar de combinatie klas + docent maakt veel intensievere vormen mogelijk. DIE wil ik ten volle benutten. (Amen!)

De toets had ik nagekeken en de moeilijkste twee opdrachten (alle naamvallen + persoonlijk voornaamwoord) nog even apart gekopieerd. Er stond geen cijfer boven en ook het aantal fouten had ik niet opgeteld. Ze kijken er toch wel naar, sommigen in lichte „shock“: „Ik dacht dat ik het wel wist“ zag je boven een aantal hoofden hangen. In hun teams moesten ze van die twee – vaak dramatisch slecht gemaakte opdrachten – de antwoorden verbeteren en er bij noteren waarom het goede antwoord het juiste moet zijn. Zelf schrijf ik eigenlijk nooit de juiste antwoorden er bij: leerlingen moeten dat doen. Als ze dat deden zouden ze die dag nog in Magister hun cijfer zien.

Natuurlijk mochten ze pas aan de slag nadat ik ze verteld had dat je dat verbeteren op een hééél snelle manier kunt doen: „Je gaat naast bijv. Ingrid zitten (die bijna geen fouten had), kijkt of zij het goede antwoord had en neemt dat over. Klaar is Kees toch? Alleen zul je dan over een paar weken tijdens de komende toets misschien denken: ‚Waar is Ingrid als je haar nodig hebt‘? Waarom? [de leerlingen vulden mij makkelijk aan:] „Omdat je er niets van hebt begrepen door het over te schrijven.“ De 20 minuten die volgden werd er …. keihard gewerkt en volop uitgelegd. Als ik een camera had: een ideaal moment in de les. Precies wat je wilt, maar dan graag twee weken eerder? Ik herinner me nog steeds die les waar de puberteit zegevierde en ik maar „wanhopig“ met die diagnostische toets zwaaide: „Joehoe, jongens, je laatste kans om te kijken of je het snapt!!!“ –  Geen belangstelling bij de meeste leerlingen. Nu volop. Nu kon ik deze les tevreden afsluiten: Ze waren bereid om over hun eigen leren serieus na te denken, hebben mij tips gegeven, zijn nu WEL inhoudelijk met de stof bezig geweest – en zullen wellicht ontvankelijker zijn voor een volgend oefenmoment met die vermaledijde naamval-zooi. Na die toets kunnen we dat even achter ons laten. Natuurlijk zal ik ook de nodige „slachtofferhulp“ bieden voor de kinderen die nu gevangen zitten in een fixed mindset („Ik kan geen Duits, zie je wel, het cijfer zegt precies wat ik al wist.“). En in het nieuwe hoofdstuk gaat het over het onderwerp wonen. Weer zo’n mooi onderwerp om hen eens lekker actief wat mee te laten doen, schrijvend of sprekend: Van je droomhuis ontwerpen of verkopen tot grappige hotelrecensies laten maken, van sketch tot reclame: het barst van de mogelijkheden. Gaat het mij lukken om ze van Duits geen Trauma maar een Traum (OK, ik zet hoog in…) te laten maken? Wie weet…