Simpel en krachtig?

Dit berichtje gaat al een tijdje rond (ja ja, zo’n viral hype dingetje…). Maar wie weet werkt het… ik ga het eens uitproberen!

Week 5 – Lokaal 122: ups and downs

Afgelopen week een week met uitgesproken ups en downs. Kortom: eigenlijk een gewone week voor wie in het onderwijs werkt. Maar zit niet juist in het gewone het bijzondere?

3-VWO – „We zijn even bezig met andere dingen“

Het idee dat lesgeven iets is wat je thuis bedenkt en vervolgens „gewoon“ uitvoert in een gebouw even verderop is nogal kort door de bocht. Het aantal factoren dat inwerkt op dat ene moment dat jij daar met die kinderen een connectie tussen henzelf, de lesstof, de activiteit en jou als regisserende docent is potentieel oneindig. Dat is ook de reden waarom elke claim van de soort „Kant en klaar, morgen toepasbaar in uw les“ onzinnig is. Een voorbeeld: Afgelopen donderdag hadden we een studiedag voor alle scholen van de scholengroep waar we met Dalton Voorburg deel van uit maken. De leerlingen hadden daarom alleen de eerste drie uur les. Wat was het gevolg? Het laatste lesuur – ons daltonuur – stonden de kinderen plotsklaps in een collectieve ‚vakantiestand‘: „Jeuh, ik ben zometeen vrij, dus…“. Dat leverde een vermoeide docent op die het motto „go with the flow“ wel erg voor ogen moest houden om dit vol te houden. En dat moest ook in het belang van een aantal leerlingen uit 3-VWO die juist in dat Daltonuur het keuze SO gingen maken.  En dan moet het toch wel fluisterniveau zijn. Eigenlijk is dat nooit een probleem en ben ik ronduit tevreden over het werk dat de leerlingen in het Daltonuur verzetten, maar dit keer was het ronduit… waardeloos. Deze rare momenten accepteren en om moeten schakelen naar een gezonde gelatenheid – ik vind het lastig. Ik heb er maar het beste van gemaakt door juist met een aantal een praatje te houden, want van veel werk zou het toch niet meer komen.

Nu ik bij het onderwerp Keuze SO ben: Als sectie hebben we besloten om de SO’s over de hoofdstukken van onze leergang naar de achtergrond te drukken. Je krijgt dus alleen proefwerken over de hoofdstukken zelf, maar wel in dakpan-structuur. Dus eerst Kapitel 1, dan 1+2, 2+3 enzovoort. Aangezien het nederige invul- en aanklik maakwerk naar buiten de les „verbannen“ is komt er tijd vrij om in de les juist de vaardigheden tot leven te laten komen. Interessant is natuurlijk om te kijken wie op het aanbod Keuze SO „hapt“ en om welke redenen. In 3-VWO waren dat een paar leerlingen die voor hun eerste twee toetsen ( leesboek + woordentoets met herhaling van de 250 belangrijkste woorden van klas 2) niet hoog gescoord hadden of gewoon houvast wilden voor het proefwerk van komende week. Het keuze SO bieden we als sectie alleen aan in een vast Daltonuur. En de docent die die dag de leerlingen ontvangt kijkt het ook na. Deze samenwerking moet efficiency en werkdrukverlag opleveren.

Afgelopen woensdag – de laatste dag voor het keuze SO – dacht ik iets heel verstandigs te gaan doen. Ik geef iedereen een voorbeeld SO – die stof zit immers ook in de toets van komende week – en ga daar mee oefenen. Het moeilijkste stuk (alle vier de naamvallen toepassen) is weliswaar geen taalvaardigheid, maar wel iets wat ook aandacht behoeft. Ik stuitte op een „We zijn even niet thuis“ in beide 3V-groepen. De baas in het lokaal was de puberteit in pure vorm, tot leven gekomen in het soms doorgeschoten zelfvertrouwen van de 3-VWOer. Er hing plotsklaps een sfeer van: „O, dat blaadje kun je dus ook thuis wel maken.“ of „In het weekend ga ik alles voor Duits bijwerken (subtekst: „dus nu even niks„). Een aantal ging wel aan het werk, maar vaak niet met dat wat nu juist de meerwaarde kon opleveren. Diepe, diepe, diepe zucht. En ik geef het toe: een hoop gemopper van mijn kant. Niet productief, maar het moest er even uit. „Jongens, je kunt NU testen of je het begrijpt. Dit is je kans!„, toeterde ik maar, driftig rondzwevend rond al die teams waar hooguit halfhartig een blik op het blaadje geworpen werd.

Het vervelende was dat ik vermoedelijk zelf mede oorzaak was van het probleem. Ik opende aan het begin van het uur op het digiboard de digitale Stasi-software van deze tijd (= het werkoverzicht in de docentmodule van de uitgever, van wat leerlingen gedaan hadden aan het hoofdstuk) en inderdaad: daar zag je dat sommigen nog niet eens begonnen waren. Anderen waren super goed bezig geweest. Er werd wat besmuikt gelachen in de klas, maar onaardig werd het niet. Het doel was een milde vorm van peer-pressure. Daltonleerlingen zijn doorgaans mild voor elkaar en ik maak er zelf ook geen „Spaanse inquisitie“ van…

Gevolg? Bij een aantal ging pardoes de knop om: „OK! Missie 1 is onmiddellijk die opdrachten gaan maken“. Hun Chromebook ging open en ik was ze kwijt. En toen kwam de docent nog met een ander blaadje. Iets met een oefen SO ofzo. „Maar dat keuze-SO maak ik niet, dus laat maar“ – vermoed ik dat sommigen dachten. Kortom: misschien heb ik hun prioriteiten-agenda wel zelf overhoop geschopt. Maar toch: Een aantal leerlingen was wel degelijk bezig met het proef-SO en wilde ook wel weten of ze de juiste antwoorden hadden. Wie het gemaakt had mocht met mij even mee naar het leegstaande lokaal hiernaast en met hen heb ik daar de antwoorden besproken. Grappig lichtpuntje: Eenmaal terug in hun team waren sommige anderen toch ook maar begonnen met het blad. Ze kregen nu uitleg van degenen die van mij hoorden hoe het werkte en wat waarom het antwoord was. Conclusie: Let op je timing Paul! En ook dan: VWO-ers hebben autonomie en vaak veel zelfvertrouwen, gezegend als ze zijn met eerdere successen, genoeg talent en soms zelfoverschatting. „Ik regel dat wel met die toets als het zo ver is“ hangt als een denkbeeldige denkwolk boven sommigen. Ze waren in meerderheid nog niet ECHT bezig met leren en dingen kunnen. Althans, van de lesstof. Ze waren vooral bezig met elkaar… Misschien wel het belangrijkste „school“-vak in deze fase van hun leven. Er stond alleen een of andere docent doorheen te praten en druk te doen…

4-HAVO IN DE SCHRIJFWERKPLAATS

In de komende toetsweek gaat 4-HAVO een informele tekst schrijven. Een verslag van een (fictieve) gebeurtenis, of een mening over iets waar iedereen wel eens iets van vindt. Dat soort werk. In de eerste toets laat ik de naamvallen even voor wat het is. Ze krijgen de schema’s er bij, maar tenzij je „das Junge“ gaat schrijven tellen alleen de juiste naamvallen mee als een soort bonus. De focus in deze periode ligt op inzicht in wat van belang is bij schrijven, en ze hebben aardig wat geoefend met werkwoorden opfrissen.

Nu ik het daar toch over heb: Voor de onregelmatige werkwoorden heb ik – hoofdstuk huisvlijt – gelamineerde flitskaarten liggen. Een korte Nederlandse zin op de ene kant, de Duitse vertaling op de andere. Leerlingen moeten ze in duo’s inoefenen, maar niet op de „Ik ga jou wel eens even overhoren manier“ die al snel optreedt bij flitskaarten. Ik wil juist dat ze allebei actief zijn. Ik laat ze daarom het stapeltje kaartjes met het Nederlands naar boven in het midden van het duo neerleggen. Om en om zeg je wat volgens jou het antwoord is. Je medeleerling moet zeggen of hij/zij dat ook vindt of het verbeteren. DAN pas samen op de achterkant kijken. Hier zie je 4-VWO in actie, twee weken geleden, maar in 4-HAVO gaat het op dezelfde manier

Uiteindelijk ga ik ze snel mondeling overhoren. Ze moeten onderweg zelf bijhouden hoe goed ze ze inmiddels kennen:

Op vrijdagochtend heb ik mijn 4-HAVO een blokuur, het 1e en 2e uur. Dat zijn niet hun beste momenten. Als „zombies“ zitten ze op hun stoeltjes. Braaf? Zeker. Met aandacht erbij? Ja, maar slow-motion allemaal. Nu hebben ze de afgelopen weken drie korte teksten geschreven en hun door mij gemarkeerde foutjes en fouten verbeterd. Ook hebben ze in kaart gebracht welke soorten fouten ze meer of juist minder maken in hun digitale Fehleranalyse. Die kunnen ze kort voor de toets er bij pakken. Bij voorkeur op die momenten waar opeens  leerlingen voor je neus staan en vragen als: „Wat voor toets gaan we eigenlijk doen?“en „Wat moet je leren?“ op je loslaten.

Ik zie een oefenschrijfproduct bij uitstek als een werkplaats. Zowel voor de leerlingen als voor mij is het echt hard werken, maar ik prefereer dit boven „de antwoorden er bij schrijven“ en „klassikaal bespreken“: het is te ongericht en maakt leerlingen passief. Zoals je hier onder ziet is dat alles bij elkaar een hele klus.  Al dat gekriebel kan er ook intimiderend uitzien. Kortom: de afdeling nazorg is op sterkte als ze voor het eerst zo’n blaadje in hun handen hebben. Even als toelichting: Het gele handje markeert waar ik een opmerking heb geplaatst / fout heb aangegeven in de tekst van de leerling. De opmerking wordt altijd afgesloten door het gereedschap-symbooltje. Niet geheel toevallig gekozen, het is immers een werkplaats.  De meeste basale dingen gaan nog mis in 4-HAVO. Maar dat is wel logisch, ze hebben nog niet veel schrijfervaring. Hieronder zie je een leerling die o.a. dacht dat „etwas“ „het was“ betekent. En in zijn eerste schrijfproduct wel 20 hoofdletter fouten had. Die jongen heeft nu door al dat verbeteren op zijn netvlies dat hij wel erg veel hoofdletterfouten maakte. Ik laat hier bewust het werk zien van iemand waar het vol staat met fouten. Er zijn er ook die maar een paar dingen verkeerd hebben, de verschillen zijn soms groot

Voor wie ook digitaal correctie tekens wil invoegen: Ik gebruik (als de leerlingen het digitaal moeten inleveren) „Voorkeuren“. Dit is een handige functie in Google docs, die doet denken aan de autocorrectie in Microsoft Word. Je vindt hem in het menu „Extra“

Het leuke is: Je kunt eigen combinaties maken. Zoals bijvoorbeeld als je f1 intypt komt er dat gele handje, de tekst „hoofdletter“ en het sleuteltje in beeld op die plek. Na een aantal jaren ken ik veel van de meest gemaakte „top 25“ foutjes/fouten wel uit mijn hoofd, maar ik heb er op mijn scherm ook een lijstje bij. Zo kan ik digitaal met wat klikken en typen snel een korte tekst nakijken. Zie ik bijvoorbeeld een das/dass fout? Dan hoef ik alleen maar f3 te typen en het belandt op die plek in de tekst. Voordeel is ook dat ik even van dat handschrift gekriebel af ben. Ook kan ik snel regelafstand 2 en lettergrootte „fors“ maken, zodat er na het printen lekker veel ruimte is voor correcties. Die laat ik JUIST met de hand doen: Ik kan het sneller zien wie waar mee worstelt en waar dingen nog verbeterd moeten worden. Vanuit thuis kan ik op de printknop klikken, op school kan ik het uit elke printer in kleur laten printen. Eindelijk, ICT die mij het leven makkelijker maakt!

Ik heb leerlingen van te voren natuurlijk verteld dat ze ook heel snel klaar kunnen zijn als ze een schrijfopdracht digitaal moeten inleveren. Kwestie van even door Google Translate halen, toch? Ik hoef er niet veel aandacht aan te besteden, ze snappen al heel snel ze over een paar weken alleen een leeg blad en een woordenboek voor zich hebben. Of ze weten hoe een woordenboek werkt? De meest wakkere van deze Grote 4-havo Kinderen, kijken me aan met een blik van. Duh, wat dacht jij dan? Dat staat gewoon achterin!

Aangezien ik zag dat een meervoud vinden (die Freunden, die Kinderen), of een verleden tijd of een voltooid deelwoord (nach Hause gegehen) van een sterk werkwoord een lastige was nam ik de proef op de som met hen. Ik wil het hen niet uilteggen (dat gaat langs ze heen denk ik). Ik wil het ze laten ervaren door te proberen. Ze kregen allemaal een woordenboek en de opdracht om deze drie opdrachten te doen:

  1. Zoek het meervoud op van „de krultang
  2. Vertaal het woord „geslopen“ in de zin „We zijn het huis uit geslopen“.
  3. Vertaal: „hij groeide

Je ziet dat ik bewust op zoek gegaan ben naar woorden waar geen of weinig voorkennis van kon zijn. Dus je kunt niet echt gokken. Hieronder zie je hoe lastig dat nog is. Er blijken heel wat vertalingen te zijn. Ook dacht iemand dat „de“ in „de krultangen“ „der“ moest zijn, „want het is mannelijk“. Ik nodigde iedereen uit die een andere oplossing gevonden had om deze er bij te schrijven. Het beste aan deze opdracht: Ze zaten ECHT in een woordenboek te kijken en ervoeren dat ze soms geen idee hadden waar het nu ECHT staat. Ook belangrijk voor nu: Ze durfden een antwoord er bij te schrijven, zonder benepen af te wachten of je het goed of fout hebt. Ook wel typisch voor 4-HAVO vind ik altijd: Dan heb je het goede antwoord gevonden, maar schrijf je het te slordig over. Kortom: Grondigheid en rust is een echte uitdaging voor ze. Al met al een een goed, ervaringsgericht onderdeel van deze vrijdagochtendlessen geworden, denk ik.

 

Tot slot

Natuurlijk zijn we niet alleen bezig met „of je veel of weinig taalfouten hebt“. Het is logisch dat leerlingen dit aardig op het netvlies hebben, aangezien ze de andere zaken vaak redelijk goed kunnen in 4-HAVO. Aan het begin van de „schrijfweken“ vroeg ik hen op een mini-briefje op te schrijven, waar ze dachten op beoordeeld te gaan worden bij hun schrijftoets. Hun antwoorden heb ik hieronder samengevat. Je ziet dat maar 1 leerling het over de inhoud had. Schokkend? Ik snap dat wel: Binnen de school krijg je vaak een voorgestructureerde schrijfopdracht. En je maakt veel foutjes en fouten op al die andere gebieden, en daar ben je ook veel mee bezig. Volgende week laat ik ze drie verschillende uitwerkingen zien, die ik ze op inhoudelijke gronden laat vergelijken. Eens kijken of ze de verborgen ingrediënten van een leuke, pakkende tekst kunnen benoemen en – nog veel interessanter – of ze mogelijkheden zien om daar zelf ook eens mee te experimenteren.

Week 4 – Lokaal 122

JIGSAW luistervaardigheid in de bovenbouw

Een voorbeeld van een mis-conceptie: Bij vraag 1 „Waardoor je moet gokken“.

„Teaching to the test“ is zoiets als de combinatie vleessalade met pindakaas. Dat moet je niet willen. En dan komt er altijd een maar. Je leerlingen zullen het je niet in dank afnemen als ze voor bijvoorbeeld een CITO luistertoets onnodig lager scoren omdat ze de „kneepjes“ van hoe je die bepaalde toetsvorm aanpakt niet in de vingers hebben. Kortom: Je zult soms wel moeten. In de loop der jaren hebben we denk ik allemaal een arsenaal tips voor dit soort toetsen bij elkaar verzameld, waarmee we de leerlingen bombarderen. Bijvoorbeeld verpakt in de vraag „Waarom zou je juist naar de inleiding willen luisteren? Daar is toch nog geen vraag over?“. Een aantal leerlingen zie je dan opkijken, met een blik van: „Ja, zonde van je tijd inderdaad.“ Anderen staan op scherp. Zij weten: die inleiding, dat heeft vast een reden anders zou die man er niet naar vragen. Leraren stellen nooit zomaar vragen…

Mijn ervaring is dat bovenbouwleerlingen hun strategiekennis nogal eens verkeerd inschatten. Dan gaf ik een kwartier lang een snelle ronde langs al deze tips en vroeg ik achteraf of dit hen bekend voorkwam en welke ze gebruikten. Meestal kwam er dan zoiets als „Ja, dat wist ik wel. O ja, dat je je goed moet concentreren enzo.“ De wat onzekere leerlingen kijken dan wat enthousiaster. Hun grote ogen vertellen je: „Eindelijk iemand die mijn zorgen en angsten voor die toetsen begrijpt en met een message of hope naar mij toe komt!“ Mijn indruk was over het algemeen dat leerlingen er te weinig van oppikten. Het luisteren naar de docent is al snel te passief. Zoals dit jaar alles anders moet van Paul, gold dat ook voor het bijbrengen van de luisterstrategieën. Ik wilde het in de „jigsaw“ werkvorm, ook wel „expert“-werkvorm gieten. Het houdt in dat je de lesstof – in dit geval strategiekennis –  opdeelt en elke leerling voor een puzzelstukje van het geheel tot deskundige maakt voor zijn/haar medeleerlingen. Deze deskundige gaat er vervolgens voor zorgen dat die kennis bij zijn/haar klasgenoten belandt.

Zo heb ik het aangepakt

Mijn verzamelde „wijsheden“ rondom luistervaardigheid heb ik in verhaalvorm uitgeschreven en verdeeld over 12 vragen en antwoorden. Dat is wel even investeren, maar het is dan ook voor de spreekwoordelijke eeuwigheid. Deze heb ik onderverdeeld naar (voor elk team van 4) 4 A5 formaat bladen met daarop telkens 3 vragen 3 antwoorden. Deze bladen heb gelamineerd. Lamineren is een psychologische factor volgens mij, zoiets als die handgeschreven handtekening onder de „Welkom in ons hotel“ brief die je in je hotelkamer aantreft. De ongeschreven psychologische wet is denk ik: „Hier is aandacht aan besteed! Ze ménen dat welkom!“. Ik dwaal af, terug naar de opdracht. Bij binnenkomst geef ik de leerlingen een klein briefje (zo’n memo blok blaadje) en vertel: „Jullie zijn al jaren mishandeld met luistertoetsen. Maar je weet ook al aardig hoe je ze kunt overleven: je hebt ervaring! Je weet een paar dingen die handig zijn om te doen tijdens een luistertoets. Dingen waardoor je meer vragen goed hebt. Stel dat hier een leerling uit een ander land komt, die wel aardig Duits kan verstaan, maar nog nooit zo’n toets heeft gedaan. Schrijf eens 3 tips op die je diegene zou geven!“. Deze opdracht kost ongeveer 5 minuten.

Nadat de briefjes opgehaald zijn geef ik ze een gekopieerd blad met alle 12 vragen en bij elke vraag voldoende schrijfruimte. Ik vraag ze om alle vragen even door te lezen. Dit kost een paar minuten. Nu weten ze waar we het over gaan hebben. Vervolgens vertel ik zoiets als: „Alle tips die ik maar kon bedenken over hoe je een luistertoets maakt heb ik verdeeld over deze vragen. Bij sommige zou je waarschijnlijk al het antwoord of een deel van het antwoord kunnen geven. Maar in dit uur ga je het volledige antwoord op alle vragen krijgen. Alleen ga ik dit niet aan jullie allemaal vertellen. Jullie gaan het aan elkaar vertellen. Hier zitten 28 leraren zometeen. Je ziet dat ik de vragen verdeeld heb over experts. Leraar A (Expert A) heeft vraag 1 t/m 3 zometeen, B heeft 4 t/m 6 [enzovoort]. Op deze gelamineerde bladen zie je die vragen staan met de volledige antwoorden. Je krijgt zo meteen bijvoorbeeld van mij het Expert A blad. De anderen in je team B, C en D.  [de leerlingen zitten voor deze opdracht in teams van 4] Jouw antwoordblad laat je aan niemand zien. Jij leest de vragen en antwoorden een paar keer door en studeert ze in. Dat kost je niet veel tijd. Je mag de antwoorden van jouw vragen alvast op je invulblad schrijven, maar dat mogen anderen niet lezen natuurlijk. Zodra iedereen in je team het antwoord op de vragen in eigen woorden kan vertellen kun je beginnen. Elke expert leest de vragen voor en vertelt wat hij/zij nu weet. Je teamgenoten noteren het antwoord kort op hun eigen invulblad.

Mijn ervaring was dat ze ongeveer 7 minuten nodig hadden om hun teksten te lezen en „in te studeren“ (waarna ik de gelamineerde bladen in elk team ophaalde) en nog eens 15-20 minuten om (4 keer per team immers) elke expert in het team voldoende tijd te geven om te vertellen en de luisterende leerlingen om hun antwoorden te noteren. Kortom: een lesuur van 45 minuten had ik wel nodig. Als de leerlingen in actie komen is er een rondje observerend genieten voor de docent: Je ziet leerlingen soms een echte „leraar“ pose aannemen. Of je vangt flarden deskundigen-speak op: „Nou, het is zo dat je tijdens het luisteren…“ enz.

Terwijl ze aan het „lesgeven“ waren las ik vlot hun voorkennis-briefjes door. Zoals ik hoopte hadden de leerlingen al aardig wat voorkennis. Ze konden concrete en effectieve tips geven. Maar op veel briefjes stonden ook ongerichte concepties als „Lees de vraag goed door“ en „Concentreer je“. Dat is niet vreemd, het is het begin van strategiekennis als je weet dat het hier om gaat. Maar ze zijn niet precies genoeg om verder te komen dan „daar beter je best op doen“. Ik sluit de les af met het voorlezen van een aantal goede tips op „voorkennis“-briefjes om te honoreren dat ze al dingen wisten. En ik vertel zoiets als: „Velen van jullie gaven de tip ‚Lees de vraag goed door‘. NU weet jij wat je dan precies moet doen als je dat doet. ‚Velen van jullie geven aan dat je je goed moet concentreren. NU weet jij een paar manieren om dat voor elkaar te krijgen.“ De bedoeling van deze ronkende slotwoorden is het bewustzijn aanwakkeren: We hebben deze les nieuwe, nuttige en toepasbare dingen geleerd. (En daarmee de focus op leren, niet op de activiteit zelf.) De invulbladen worden ingeleverd. Aan de hand van hun antwoorden (ik „scan“ ze even) kan ik snel zien welke vragen kennelijk voor de gemiddelde leerling het moeilijkst zijn om uit te leggen of op te schrijven. Want ook luisteren naar je medeleerling is niet 1:1 kennisoverdracht. De lastigste vragen bespreek ik de volgende les nog even zelf. Dit kost ongeveer 5 minuten.

Wat is nu de beoogde leerwinst van dit alles? Wat gebeurt er eigenlijk?

Leerlingen hebben eerst hun voorkennis geactiveerd (= nieuwe kennis kan er zometeen aan gekoppeld worden), ze hebben alle relevante informatie gehoord en een deel hiervan gememoriseerd en vooral: zelf verteld, waardoor het meer van hen geworden is (meer mentale handelingen) en ze het daardoor beter zullen onthouden. Ze hebben geluisterd naar elkaar en hun antwoord in eigen bewoordingen geformuleerd. En met hand geschreven betekent ook langzamer en dus iets bewuster.

Er is ook winst op een heel ander vlak: Je kunt jezelf als docent nooit exact herhalen in je uitleg. Om een genuanceerd verhaal met allerlei strategieën en voorbeelden zo strak als een TED-talk te vertellen zou ik dat echt helemaal moeten instuderen. (Of een auto cue aanschaffen haha… ) Op grond van ervaring zal ik die uitleg echt niet slecht of verkeerd vertellen, maar toch al snel wat rafelig, waardoor het aan kracht inboet. Tussen die levendige klas 2, die vergadering en de pauze door vergeet ik dat ene rake voorbeeld, dat me een les later pas te binnen schiet, of vergeet zelfs een van de deelonderwerpen die ik eigenlijk heel belangrijk vind. Volgens mij ontstaat ook daardoor het fenomeen dat docenten zo verschrikkelijk veel aan het woord zijn. Als je over onderzoeken leest die dat in kaart brengen schrik je je rot. Hoe meer de docent aan het woord is, hoe minder de actieve rol van de leerlingen kan zijn.

Eén groot succesverhaal dus?

Nou, dit is onderwijs… dus wedden van niet? In een andere vierde klas zag ik dat in één team „de heren mininalisten“ elkaar gewoonweg hun eigen ingevulde antwoorden lieten zien, die de andere teamleden dan konden overschrijven. Sympathiek van ze maar helaas, De Radar was deze laag vliegende projectielen niet ontgaan. Ik heb ingegrepen en hen laten uitleggen waarom dit niet erg zinvol is. Ik ben er van overtuigd dat je elke werkvorm als leerling op een manier kunt doen waardoor je er weinig of niets van leert. Het is aan ons de uitdaging om de vorm zo actief, motiverend en interessant te maken dat ze er „ingezogen“ worden en ongemerkt nog veel van leren ook. Een ding weet ik zeker: Dat gaat nooit altijd lukken. Laat het los… en geniet van al die momenten waar het wel lukt, de leerlingen actief bezig zijn en veel opsteken.

Ook komt niet altijd over wat beoogd is. Zoals hier:

Bij vraag 7 heeft deze leerling de toe te passen strategie gemist. Ofwel is het door de docent niet goed verwoord in de schriftelijke uitleg, ofwel heeft de expert het niet goed uitgelegd ofwel is die uitleg „verdrongen“ door eigen concepties! Communicatie is gewoonweg complex. Voordeel van dit alles: Ik kan als docent precies zien welke vragen gemiddeld niet goed begrepen worden en ook nog eens bij wie! Dat kan bij een klassikale uitleg niet.

Het vervolg? Niemand kan al deze strategieën zomaar onthouden na één lesuur, laat staan toepassen. Het is typische „kennis waarmee je handelt“ (non-declaratief). Tijdens de eerste oefen-luistertoetsen en luisteropdrachten kan ik er nu echter snel naar verwijzen. Ik laat ze dan vooral dingen uitleggen, zoals: „Welke strategie moet je gebruiken als je deze vraag leest?“. Ook bewaar ik hun invulbladen. Kort voor de toetsweek kan ik ze aan hen teruggeven: Zo hebben ze alle tips nog even op een rijtje.

KLAS 2 SPREEKT… ONLINE DUITS

Mijn 2 groepen tweedeklassers staan nu kort voor de toets over hoofdstuk 1. Na de nodige vooraankondigingen en één middag nablijven voor-wie-het-er-op-aan-liet-komen liep iedereen bij met de online opdrachten van het hoofdstuk. Eén ouder had ik al gemaild omdat ik vaststelde dat hun kind nog niets gedaan had. Zij pakten dat prima op en zijn er thuis mee aan de slag gegaan. Daarmee is het doel behaald dat we een week vòòr de toets lucht hebben om nog eens goed in de studiewijzer en in het boek te kijken waar je kunt vinden wat je moet weten en kunnen. Die exercitie is ook bedoeld om ze te laten inzien dat ze er al aardig wat daarvan in huis hebben: de getallen, de vraagwoorden en een kennismakingsgesprek. Natuurlijk zijn er een paar leerlingen met leerproblemen dan wel ziekte die nog niet alles af hebben. Met hen heb ik andere afspraken gemaakt, o.a. in Daltonuren.   

Ken je de vraagwoorden? De puzzel heeft een vaste uitkomst en een vaste vorm als hij klopt. Dat scheelt gedoe met vragen en antwoordbladen!

In de twee lessen voor de toets staat volop oefening en herhaling op het programma. Door middel van een legpuzzel (zie foto, kun je ook even bij bewegen = zuurstof!) kunnen ze kijken of ze de vraagwoorden al weten, in Classroom staan de duits.de uitlegfilmpjes over de getallen en de vraagwoorden klaar en kunnen ze – zo vaak als ze maar willen – een oefentoets maken en zo ontdekken wat ze al weten. De woordenlijsten vinden ze in WRTS. Kortom: er is genoeg om mee te oefenen. Nu is het nog aan mij de taak om ze te laten ervaren in hoeverre ze het kunnen en kennen, zodat ze de nodige prioriteit kunnen geven aan leren. Zeker bij Duits, waar je het in het begin „niet zo moeilijk vindt“ („en hij zei ook al dat we dat allemaal al gehad hadden“) loert altijd de zelfoverschatting om de hoek. Komende week gaan ze daarom een mini-toets voor elkaar bedenken en gaan we met Kahoot, Steh auf!, Steh auf! en de Miniwhiteboards aan de slag. Motto: Ontdek of je het weet!

Maar ook de kennismakingsdialoog (de kern van het hoofdstuk) wilde ik hen intensief laten oefenen, mede met het oog op hun eerste mondeling. Het ging om een kleine kennismakingsdialoog in het Nederlands, die ze moesten personaliseren met hun eigen naam, woonplaats en telefoonnummer:

Ik heb hen op het hart gedrukt dit eerst mondeling als tweetal te oefenen en daarna zonder de Duitse zinnen er bij te houden in te spreken. Natuurlijk heb ik er bij verteld dat voorlezen niet zo moeilijk is als uit je hoofd kennen, maar dat je het bij de toets ook uit je hoofd moet kennen. Dus fair play bitte! Mijn indruk is dat ze dat gedaan hebben – en in dit stadium is het niet cruciaal of ik dat 100% zeker weet van elke leerling. Stichwort: Vertrauen! Ook vertelde ik dat ik het normaal vind dat je het rustig doet, zodat je minder snel een fout maakt, want klas 2 is van de actie immers… Verder heb ik aangegeven dat je ook een mooi cijfer kan krijgen als je je eens vergist met een woordje of in de uitspraak – wat de bloeddruk van de perfectionisten en faalangstigen onder ons weer wat doet normaliseren. Hun eigen telefoonnummer kenden sommigen niet uit hun hoofd, dus of dat op een briefje erbij mocht? Ja hoor.

Via hun Chromebooks kunnen ze makkelijk audio opnemen. Ik gebruik daarvoor deze online voicerecoderDit is te gebruiken zonder installatie, zonder registratie, heeft geen pop-up reclames. Ze kunnen dit makkelijk inleveren in een Classroom opdracht, waarbinnen ik (en zij zelf ook natuurlijk) zonder gedoe kunnen terug beluisteren.

Ze mochten dit in de les waarin dit besproken werd – er was nog een kwartier over – alvast doen, wat natuurlijk niet bepaald bijdraagt aan een rustige oude dag van de docent in kwestie. De een is aan het oefenen, de ander zoekt dingen op in het boek, de volgende ontdekt dat je tegen je computer kunt praten en hoort zichzelf voor het eerst terug (gaaf!), wat weer leuk is om enthousiast met je vriend(in) in een ander team te delen – en dat mag dan niet van de docent… De volgende komt vragen of je nou six of ssegs of zeks moet zeggen. Kortom: leven in de brouwerij. En er is altijd iemand die „niets“ snapt van de opdracht, of van „die site“ en met Chromebook onder de arm naar mij toe komt. Even verderop staat een meisje een jongen te helpen van een ander team. Of is het toch alleen gezelligheid? Dit zijn momenten waar ik de „lerende chaos“ laat gedijen. Dit is werk in uitvoering, daar hoort een zeker moment van alles door elkaar gewoon bij. Het belangrijkste is: Ze willen wel! Dat merk je ook aan het flexibel oplossen van „het moet een duo zijn“-probleem in een oneven groepje, „Mag zij het dan ook nog een keer met mij opnemen?“ (Ja, graag zelfs!)

Waarom deze vorm – die er ook nog eens voor zorgt dat ik alles terug moet gaan luisteren thuis?

De grote meerwaarde vind ik het samenwerken, het feit dat iedereen aan het woord is èn het feit dat ze het moeten opnemen. Ze weten dat ze een beoordeling zullen krijgen. Dan wil je het dus wel goed doen. De techniek maakt het mogelijk terug te horen wat je zei – en dat zorgt er in veel gevallen voor dat ze ofwel langer oefenen om het op te nemen (anders moet het telkens over) of juist dat ze het nog een keer opnemen (ze horen zichzelf terug en zijn nog niet tevreden). Dit door blijven oefenen om het beter te krijgen (versus: „Ik heb het gemaakt“) noemen ze ook wel mastery learning. In mijn ogen is dat de eigenlijke winst. De opname zelf is meer een bijproduct van het leren

Voor mij heeft het nog een voordeel: Je kunt het eerste duo even in de klas laten horen. Daarmee kan ik duidelijk maken of dit aan de eisen voldoet. Twee jongens waren pijlsnel klaar. Dus in de les daarna hoorden we de mannen via de speakers in de klas het gesprek prima voeren, hoewel „wo“ nog wel een vleugje Engels klonk. Tot we bij het telefoonnummer kwamen. Ze lieten het bij: „Oend maine telefoonnumber ist puntje puntje…“. Ik hoefde hem niet in te koppen, de klas liet al blijken dat dát geen voldoende zou kunnen opleveren. Dit maakte het voor mij mogelijk om aan te geven wat deze jongens al wèl goed hadden aangepakt, dat je je zomaar kunt vergissen in wat de bedoeling is (uche…)  en het hen mogelijk te maken de dialoog nog een keer in te leveren. Ik kan niet zeggen dat ze daar nu zo opgelucht over waren (hun status had toch wel een deuk opgelopen natuurlijk), dus in de nazorg heb ik nog maar eens verteld dat het voor iedereen wennen is en dat ze natuurlijk de hele opdracht moeten doen en iets wat je lastig vindt niet mag overslaan. En dat ze altijd welkom zijn als ze de uitspraak van de getallen lastig vinden!

Tot slot is er nog een klein voordeel: De leerling die er niet was, ziek was of om welke reden dan ook miste kan dit ook zelfstandig nog doen. Thuis of op school, dus flexibel.

Ziezo… dat was het weer voor deze week. Bedankt voor je aandacht (het was een lange zit, ich weiß)

Om met Hip Hughes te spreken: Where attention goes, energy flows!

Mocht je nieuwe energie willen aanboren (en even lekker willen lachen!) bekijk dan zeker eens deze video van hem:

Week 3 – Lokaal 122

Hier weer een update uit lokaal 122 op het Dalton in Voorburg. Het lokaal waar 241 kleine en grote kinderen ook deze week weer hun Duitse lessen volgden. Er gebeurt zoals altijd in het onderwijs te veel om op te noemen, daarom pak ik er ook deze week een paar dingen uit.

HET MOTTO

Hoe maak ik mijn leerlingen snel duidelijk hoe we werken? De verwachtingshouding op onze Daltonschool is namelijk: Je mag – binnen bepaalde kaders – veel eigen keuzes maken. Hun verwachting van een les is: Je pakt je (chrome)boek en je gaat oefeningen maken. De docent legt nog even wat uit en vertelt of doet nog wat. Maar – zie mijn vorige post – dit jaar wil ik meer actie en meer leerzame activiteiten in de les. Meer Duits ook graag. Dat betekent minder eigen keuzes. Of zelfs geen. Het borrelde denk ik nog wat: Hoe maak ik dit duidelijk aan mijn leerlingen? Ideeën komen altijd op de vreemdste momenten. Op de fiets, in een lift of… tijdens het strijken van een overhemd. Opeens kwam de oplossing uit de mouw. Het motto: „In de les DOEN we Duits. Thuis en in Daltonuren MAAK je Duits“. Ik weet het, het is een grove versimpeling, maar een slogan moet simpel blijven. Als het helpt om te begrijpen dat ze niet snel een half uur „aan het werk gezet“ gaan worden om een reeks kleine invulopdrachten te maken, die ze net zo goed thuis zouden kunnen maken is het al goed. Zeker als de dag wat gevorderd is en de energie aardig verbruikt is hoor(de) ik mezelf dan voortdurend dingen zeggen als: „Kom, maak die opdracht nou nog even af“. Of de licht geschokt/wanhopige variant: „Je hebt dus maar twee zinnen gedaan de afgelopen 20 minuten?“. Het zijn de momenten waarop de telefoon uit de broekzak komt, de blik naar de klok gaat, de eerste tas wordt ingepakt en als je niet oppast er een meute bij je deur staat: Leerlingen nemen even een time-out. Heel begrijpelijk dat de boog niet altijd gespannen kan zijn, maar het kan anders en – hopelijk effectiever. Misschien is dat wel dé uitdaging voor ons allemaal, dat opeens de bel gaat en we de tijd helemaal vergeten waren?

VALKUIL: CONTACT

Een gesprekje met een leerling kan alleen in rust en op individuele basis als leerlingen simultaan aan de slag zijn met bijv. iets schrijven, elkaar overhoren enz. Iets waar je even geen regisserende actieve rol hebt als docent. Tijdens luistervaardigheid en spreekvaardigheid is dat een stuk lastiger of zelfs onmogelijk. Laten we nu juist deze vaardigheden in periode 1 in de bovenbouw veel op het programma hebben. Om beter contact te maken met vooral de 4e klassers (we kennen elkaar nog niet (allemaal) uit eerdere jaren en in de clusterklassen kennen ze elkaar ook nog niet goed) heb ik afgelopen week bewust „extra treuzeltijd“ ingebouwd aan het begin van het uur. Terwijl ik dingen klaarzet vraag ik individuele leerlingen in het Nederlands of Duits hoe het met ze gaat. Of bijvoorbeeld of ze al een beetje gewend zijn aan de brute verstoring van hun „Netflix-slapen-eten- gamen-vrienden- WhatsApp“ ritme. „Morgenmensch oder Abendmensch?“ (Of: „Erdbeer oder Zitrone?“) Soms laat ik het bij: „Hurra, Freitag! Morgen Wochenende!“ Zelden meegemaakt dat iemand daar somber van gaat kijken. Alles om ze even uit hun dagelijkse stress, vermoeidheid, het-is-school gevoel te krijgen en een moment van oplichtende ogen op te roepen. Leerlingen moeten zich gezien voelen. Niet als leerling maar als mens. Dat zou je in geestdriftige didactische avonturen zo maar over het hoofd kunnen zien…

STEH AUF! STEH AUF!

In de vakantie kwam ik het boek „Fun learning activities for modern foreign languages – a complete toolkit for ensuring engagement, progress and achievement“ van Jake Hunton tegen. Ik moet je waarschuwen voor dit boek. Je waant je als kind in een speelgoedwinkel. De verleiding om alles wat zo leuk, motiverend en overtuigend leerzaam kan zijn tegelijk uit te proberen is enorm. En Hunton legt ook nog eens per werkvorm uit wat de achterliggende leertheorie is. Dus het is nog eens „bewezen“ ook! Dylan Wiliam vertelt regelmatig dat leraren als eksters zijn. Wat glimt en aantrekkelijk oogt doen ze een keer, nog een keer en laten het weer vallen voor iets anders. Misschien is het de hunkering naar afwisseling, „iets leuks“, „iets kant en klaars“ dat het langer en moeizamer onder de knie krijgen van een bepaalde werkvorm in de weg staat. Ik heb de verleiding willen weerstaan, door uit dit boek één werkvorm te kiezen, waar ik nu ervaring mee opdoe. Deze vorm is flexibel, eenvoudig, vergt geen voorbereiding van leerlingen, vergt minimale voorbereiding van mijn kant, geen losse materialen van belang, de inhoud is ingebed in de leerdoelen van het moment en vooral: hij biedt leerwinst! In de loop der jaren heb ik ontdekt dat dit de succesfactoren zijn van werkvormen die een „permanente verblijfsstatus“ in mijn lessen krijgen.

 

In het Engelse origineel heet deze werkvorm Bob up! Ik heb hem omgedoopt in Steh auf! Steh auf!„. Het doel is woordenschatverwerving. Nederig werk, maar onmisbaar. Woordjes leren daagt slimmere kinderen totaal niet uit. De brave en zwakkere kinderen vinden woorden leren fijn omdat het zoiets is als je kamer opruimen. Niet perse leuk, maar te doen en met zichtbaar resultaat. Ook voor hen toetsen we als docenten woorden. Er speelt een gevoel van beloning en troost in mee, denk ik wel eens. Maar uiteindelijk gaat het niet om het kennen van de spelregels en je sportuitrusting, maar om wat je op het veld kunt laten zien. Kortom: Ontzettend belangrijk zolang woordkennis je niet aan een schijnvoldoende helpt omdat de vaardigheden niet de doorslag geven in je uiteindelijke rapportcijfer.

 

Einde preek. Hoe werkt Steh auf? Steh auf? Je maakt als docent vooraf een genummerde woordenlijst met Duitse woorden en hun Nederlandse vertaling naast elkaar. Ik kies woorden die ze moeten leren voor de komende toets, maar ik ga deze werkvorm ook gebruiken een tijdje NA de toets. Woorden herhalen op het moment dat je ze begint te vergeten zorgt er voor dat ze extra goed beklijven. Ik maak die lijst in Google presentaties, waar ik ze in een lege tabel in vul. Op mijn smartboard passen er – in een voldoende grote letter – zodoende 22. De leerlingen zien de woorden nog niet als het spel begint. Eerst moet de klas in tweeën gesplitst worden. In mijn geval laat ik de leerlingen in hun team elkaar een letter geven (A, B, C of D) en vertel dat bijvoorbeeld A en C links gaan zitten. B en D rechts. Ze moeten zo zitten dat ze het smartboard kunnen zien en makkelijk kunnen opspringen.

Dan moeten binnen elk team de 22 nummers verdeeld worden. Daartoe kun je een teamleider benoemen, die deze nummers onder zijn/haar team verdeelt. Let op: dat lukt ze niet zo maar. Daarvoor moeten ze goed luisteren naar hun teamleider en sommige leerlingen zullen 2 nummers moeten onthouden. Je team bestaat immers uit minder dan 22 leerlingen. Kortom: misschien in het begin even voordoen of zelf de nummers verdelen is sneller.

Het spel kan beginnen. Je toont nu de genummerde woordenlijst. Je vertelt: „Zodra ik bijvoorbeeld „sechs“ roep kan jouw team een punt verdienen. De nummer 6 in jouw team moet dan opspringen en luid en duidelijk het Duitse woord met Nederlandse vertaling roepen: „Ostern – Pasen!“. Maar pas op: In het andere team zit ook een nummer 6. Als die persoon sneller is, of jou inhaalt en duidelijker spreekt krijgt dat andere team het punt.“ Als docent houd je de score bij (Ik doe dat met plastic piratenmuntjes in twee bekertjes, maar turven kan ook).

Ik noem in een hoog tempo en door elkaar de nummers in het Duits. Telkens springt er iemand als eerste op, roept al voorlezend het Duits + Nederlands (beide, om woord + betekenis in te prenten) en krijgt het punt. De hele klas hoort dus de woorden en kijkt permanent naar het bord. Natuurlijk laat ik alle nummers aan bod te laten komen, liefst elk woord vele malen. Dit is fase 1.

In fase 2 toon ik de volgende dia, waar de kolommen met de Nederlandse vertaling weggelaten zijn. Ook nu moeten de opspringende leerlingen Duits + Nederlands roepen. Kortom: Je moet de betekenis dus wel hebben onthouden. In fase 3 (als het om productief te kennen woorden gaat) zie je alleen de Nederlandse woorden. Kortom: Zo wordt het geleidelijk moeilijker. Het leuke is dat je niet alle fasen altijd moet doorlopen en dat is de kracht: De werkvorm is flexibel.

Zelf voeg ik nog een extra toe: Ik heb een gekke zoemer, die het geluid maakt van een loeiende koe. Daar klik ik op als degene die opsprong het woord nog niet helemaal goed uitsprak. Het lid met dat nummer van het andere team mag nu alsnog – binnen korte tijd – het antwoord zeggen en als diegene het goed uitspreekt gaat het punt naar dat team. Degene die het nog niet goed uitsprak moet natuurlijk goed luisteren, want – wie mij kent – weet dat jouw nummer natuurlijk nog een paar keer gaat terugkomen. Iedereen heeft recht op een mooie revanche – en een juiste uitspraak…

David slaat toe!

Nog een variant voor de laatste ronde. Deze is erg leuk voor de slimmere kids. Nu noem ik geen cijfers meer (en iedereen mag nu antwoorden), maar omschrijf ik een woord in het Duits of vertel gewoon iets wat met het woord te maken heeft. Iedereen kijkt ingespannen naar de hele lijst en probeert een synoniem of een woord te vinden wat er mee te maken heeft. Dus ik vertel: „Ich gebe viel zu viel Geld aus. Auch an Unsinn eigentlich, das ist eine schlechte Gewohnweit“. Vervolgens springt er iemand op en roept: „Die Verschwendung – de verkwisting“! Er zijn nog veel meer varianten. Het genoemde boek staat er vol mee, van nummers wisselen tot „free roles“ enz.

Wat leer je hiervan?

Je leert vooral de koppeling woord+klank+betekenis. Elk woord „klinkt“ ook in het lokaal, waardoor de kans groot is dat iedereen het onbedoeld mee leert, ook als het jouw nummer niet eens is. Het gaat om een beperkt aantal woorden, dus is de kans groter dat je ze (als het lang / vaak genoeg gespeeld wordt) allemaal kent. Onbedoeld neveneffect: je leert de Duitse getallen pijlsnel verstaan! Het fysieke aspect en het spelelement vergroten de aandacht aanmerkelijk: het is enorm actief, wat ook de slimmere kinderen aanspreekt. Ook doen de leerlingen eens iets samen in de talenles. En ook de stillere kinderen kunnen mee in het spel. Het fysieke vind ik een echte toevoeging. Kinderen zitten heel wat uren in de school, vooral in de talenlessen, dat is niet bepaald gezond.

Wat zijn de eerste ervaringen?

Kinderen vinden het leuk en nuttig. Je zou denken vooral de tweedeklassers. Uitgerekend 6V was twee weken geleden de eerste klas die het mocht proberen. Ze vonden het super. Ik vroeg nog voorzichtig: „Is dit niet wat te kinderachtig voor jullie?“ Er kwam een geruststellend: „Welnee!“. Nog even iets over de woordenlijst die ik gisteren voor hen gebruikte. Ik had ze vorige week in een Google-quiz in Classroom alle woorden laten maken van de eerste receptieve Grundwortschatz toets uit 4VWO. 10 minuten werk voor hen en meteen een goede herhaling. De 22 woorden die bijna niemand meer wist kwamen door de automatische analyse van Google quiz meteen boven drijven. Deze heb ik voor deze Steh auf! Steh auf! gebruikt. Zo herhalen we doelgericht: alleen wat nodig is.

Gaat alles altijd goed? Nee, dit is gewoon onderwijs zoals het is. In een van mijn 2e klassen ontdekte ik een paar NLM (niet leuke mannetjes) die al met hun lichaamstaal aangaven dat ze andere plannen hadden. Lekker achterin zitten, beetje leunen tegen de muur, ze vonden het wel best zo. Ze lieten doodleuk het andere team opstaan voor hun nummers. Hun eigen team was niet bij machte in deze klas om de mannetjes mee te laten doen. Misschien moeten ze volgende week maar in het midden gaat zitten van de klas en de woordenlijst even overschrijven? Deze niet-oplossing heb ik als leraar altijd nog achter de hand. Maar ik vind hem niet zo ingenieus omdat hij alleen op „straf vermijden“ inzet. In elk geval heb ik het gelukkig ontdekt en benoemd en even later deden ze „gedwongen“ mee. Maar: Wie van de lezers weet een betere manier om de NLM-ers naar WLM-ers te krijgen? Ik houd me aanbevolen!

BLOKUUR 7E EN 8E OP VRIJDAG

Blokuren. Op vrijdagmiddag. Bij sommige lezers en leerlingen roept het een gezichtsuitdrukking op die boekdelen spreekt. 6V gisteren, 7e en 8e uur. Eerst even een kop thee voor wie wil. Twan en Beer kwamen met 2 rollen koekjes het lokaal binnen. Dwars door de keiharde herrie van de rioleringswerkzaamheden in de straat ploegde iedereen (helden bestaan!) zich door een compleet luistertoetsonderdeel. Daarna verplicht 5 minuten even lopen en de klas uit. Bij terugkomst je antwoorden vergelijken met een foto van de antwoorden op het bord (meteen inzicht in hoe je er voor staat) en daarna nog een rondje „Steh auf! Steh auf!“ Opeens ging de bel. Einde van weer een enerverende, intensieve maar in veel opzichten weer leuke week!

The battle: Twan en Marcus allebei op scherp!

TOT SLOT

Op het schoolplein fietst een leerling mij tegemoet. De week daarvoor voor het eerst in zijn klas Steh auf! Steh auf! gedaan. Ik zeg Ostern! Hij in een split second: Pasen!

DANK AAN 6Vb: Voor het maken van de foto’s en het toestemming geven voor het gebruik hiervan op mijn blog.

Week 2 – ervaringen uit de klas

Het schooljaar is hier in Voorburg op het Dalton alweer in volle gang. Dit jaar mag ik 239 kinderen in 10 klassen op 6 niveaus begeleiden. Dat is een voorrecht – en een klus. Ik voelde me dan ook getroost door de woorden van Dylan Wiliam: „I have worked more hours in several jobs, but never more hard than I did as I was a teacher.“ Kijk, die man snapt het! Deze week mocht ik Dylan Wiliam twee dagen live meemaken op scholing in Amersfoort, samen met honderden anderen. Op dag 1 ging het over formatieve assessment en dag 2 had als onderwerp curriculumontwikkeling en toetsing. Er gebeurt een hoop op deze gebieden, en – aangezien ik aan zag komen dat ik dit jaar maar beter strak georganiseerd kon beginnen (zo’n voornemen dat je vast wel herkent) – ben ik er in de vakantie qua ideeën en opzet eens even voor gaan zitten. Met onze sectie hadden we vòòr de vakantie al wat bakens verzet. Daarover verderop meer. Geen idee of ik hier „wekelijks“ iets zal posten (garantie tot de voordeur) – maar je herkent vast wel dat „dingen aan anderen uitleggen“ er voor zorgt dat je dingen bewuster doet. Daarom dus hier zo’n verhaal. Dingen bewust doen is èn hard nodig èn knap lastig in het onderwijs. Je staat onder permanente handelingsdruk. Dan is er niet veel ruimte in je hoofd en in je tijd voor rustig nadenken, keuzes overwegen en terugkijken wat waarom hoe wel of niet werkte. En als dat er allemaal weinig van komt… draai je voor je het weet in een soort „overlevings-ervarings-cirkeltje“ rond. Ik spreek uit ervaring…

Van toezichthouder naar…

Aangezien onze school vier jaar geleden begon om alle nieuwe brugklassers van een Chromebook (met de Google browser dus) te voorzien zijn we met onze sectie op zoektocht naar het benutten van de nieuwe mogelijkheden die „elke leerling heeft een computer voor zijn neus“ biedt. Onze lesmethode kun je volledig digitaal doen, dus we gingen daar maar eens ervaring mee opdoen. We merken dat leerlingen het fijn vinden om in hun tekstboek op papier te kijken. En ik vind (en veel leerlingen vinden dat ook wel) het fijn als ze de opdrachten digitaal maken. De reden is vooral: ze krijgen meteen feedback en we kunnen samen makkelijker terugkijken wat lastig was of niet. Vorig jaar zijn we daarmee gestart en de ervaringen waren niet slecht. Maar op één punt meteen niet prettig:  Je hebt een gevoel van disconnectie: Kinderen zitten in beeldschermen te werken. Je ziet ze niet schrijven, ontdekt minder snel waar ze zoeken, even vastlopen of over nadenken. Ik kan wel in een soort analyse tool gaan kijken („Leerling X had zo veel % goed in zoveel tijd“) maar dat geeft (ook) niet bepaald een diep inzicht in het leerproces. En als leerling en docent het bij de toets pas ontdekken of iemand het kan en weet hebben we het samen niet goed aangepakt.

Nog een nadeel: Er waren te veel momenten dat ik naar een groep kinderen zat te kijken die zwijgend „een boekhoudprogramma“ aan het invullen was. Oortjes in, muziekje erbij, gedachteloos intypen. Geen lessen waar ik met trots op terugkijk. Ik heb ooit een column geschreven over „invulleritis“: De opdrachten in veel werkboeken zijn klein verkaveld, gereduceerd tot „lees het hier, neem het over, vul het in“. KIKADEWADO (Kind kan de was doen) heette dat ooit in soldatentaal. Geen wonder dat het meer een kwestie is van doen dan denken. We krijgen nauwelijks vragen van leerlingen. Als je ze vraagt: „Wat heb je nu net eigenlijk geleerd/gedaan?“(een pittige vraag trouwens voor ons allemaal, benoem het maar eens goed!) kijken de meeste leerlingen je met grote ogen aan. „Nou, opdracht 7!“ Ook wij leraren mogen de hand in eigen boezem steken op dat gebied. John Hattie refereert in 10 Mindframes for Visible Learning (John Hattie/Klaus Zierer 2018) naar onderzoek waaruit bleek dat de meeste leerlingen na afloop geen inhoudelijk leerdoel van de les konden benoemen. En nog erger: hun eigen leraren ook niet… Voor je het weet zijn onze doelen „de grammatica van hoofdstuk 2 bespreken“ , „controleren of iedereen de schrijfopdracht ingeleverd heeft“, „dit op tijd afronden“ en raken we het zicht kwijt op wat we nu eigenlijk waarom willen bereiken in termen van het leren zelf. Leraren praten – zo ontdekte Graham Nuthall in zijn onderzoeken naar wat er wordt gezegd in lessen – vooral over opletten, anderen niet afleiden, boeken, bronnen, stappenplannen en weinig over leren en denken. „The challenge in too many classrooms is about knowing the rules and procedures of the teacher, not the challenge of learning“(blz 61). Au, die zit!

De slimmere leerlingen hebben al lang door dat je de proefwerktoets (die ook beter kan, maar daarover een andere keer meer) ook wel haalt door gewoon de lesstof sec te stampen. De bijbehorende opdrachten ervaar je al snel als overwegend zinloos. Behalve de spreekwoordelijk hardwerkende en risico-mijdende leerlingen. Die zijn wel blij met dit soort „alles onder controle“ opdrachten. Het biedt doorgaans schijnzekerheden. De waarheid ligt natuurlijk in het midden, maar dit jaar is het vaste voornemen van onze sectie:

OK! We gaan die lessen levendiger, „Duitser“ en vooral: relevanter maken. Maar hoe dan?

Het toeval wil dat de studiewijzers van onze school dit jaar (voor alle vakken) voorzien zijn van nieuwe rubrieken: Leerdoelen in termen van „Kennis“, „Vaardigheden“ en „Houding“. En dat per periode. Ik geef het toe: Het blokje „Houding“ heb ik even genegeerd (sh… niet verder vertellen). Ik kan niet alles, even geen zin in en kommt Zeit, kommt Rat. Maar met die andere twee wilde ik juist aan de slag omdat ze de sleutel kunnen zijn tot diepere verwerking en het gevoel dat je op school komt om iets betekenisvols te ervaren en te leren. Het gevolg is dat de leerlingen nu in Google Classroom (hoera, ze hebben elke les een computertje voor hun neus!) een „Mein Deutschportfolio“ werkblad aantreffen. Eén werkblad voor het hele jaar. Het staat online, dus het kan niet kwijtraken en zowel docent als leerlingen kunnen er altijd bij. In diverse tabbladen daarvan houden de leerlingen zelf bij of ze de diverse leerdoelen onder de knie hebben. Dat zijn natuurlijk dezelfde doelen als in de studiewijzer staan. Dat bijhouden gebeurt telkens met stoplichtkleuren en een enkele keer met een klein vakje voor tekst: We willen niet dat ze van die „reflectieverhalen“ moeten schrijven in de onderbouw en daar veel tijd mee kwijt zijn.

De leerdoelen zijn in leerlingentaal samengevat („ik kan“ en „ik weet“ beschrijvingen) die uit de hoofdstukken van het boek voortvloeien. En vooral beperkt tot een handjevol. Dus geen waslijsten met ERK taalhandelingen. Er zijn ook aparte tabbladen waarop ze hun uitspraak en mondelinge taalvaardigheid in kaart kunnen brengen, en in de bovenbouwklassen een foutenanalyse kunnen bijhouden voor schrijfvaardigheid en presentaties geven. Als docent kan ik in hetzelfde blad werken en op hun zelfinschatting reageren.

We zien dit als een experimentele stap: iets om ervaring mee op te doen. Het idee is dat de leerlingen dit ongeveer 2 keer per periode even bijwerken. Het gaat er niet om of de leerlingen dit „correct“ kunnen beoordelen. Het gaat er om de betrokkenheid te verhogen: Leren nadenken over dat je op school komt om iets te weten en daarmee iets te kunnen: dat je iets leert. En ook beseft WAT dat dan is. En dat je dat kunt proberen in kaart te brengen en je manier van werken en leren waar nodig te verbeteren. Hiermee willen we een aantal aspecten van formatieve assessment beter vormgeven: verhelderen en bespreken van leerdoelen, bewijs verzamelen van leerresultaten (in elk geval de zelfinschatting daarvan…), feedback geven en leerlingen meer betrekken bij hun eigen leren.

Ook willen we actievere vormen (in teams of klassikaal) doen. Die bespreek ik nu even niet, het is al een heel verhaal. Maar dat vergt natuurlijk lestijd. We krijgen geen extra tijd. Dus moeten we andere dingen niet meer doen in de lessen. We hebben om die reden de opdrachten die de leerlingen moeten maken in het lesboek met 1/3 (klas 2) of de helft (in 3VWO) teruggebracht. De leerlingen gaan de opdrachten uit het lesboek vooral buiten de lessen (en in hun Daltonuren) maken. Ook hebben we alle klassieke SO’s omgebouwd naar keuze SO’s. Bij elk hoofdstuk mogen ze een SO in een Daltonuur maken (bij één vaste collega per SO, die kijkt het ook na = werkdrukverlaging door samen te werken als collega’s). Dan telt het ook mee voor hun rapport. De proefwerken krijgen een dakpan structuur. Dus eerst een toets over Kapitel 1, dan over 1+2, 2+3 enz. Dat scheelt al weer 6 lesuren + 6 keer „nog even opfrissen voor de toets“ + 6 x „nabespreken“. Het moet er voor zorgen dat er meer tijd vrijkomt om de vaardigheden zelf (telkens gekoppeld aan de leerdoelen van de hoofdstukken) in de lessen te oefenen, te herhalen, te leren. Afwisseling, actie, veel doen – een taal was bedoeld om te gebruiken. Ik heb te veel lessen gegeven waar we het „over“ taal hadden. Tijd voor verandering!

 

Studiemiddag participatiecijfer

Op donderdag 20 september 2018 organiseert het Duitsland Instituut Amsterdam een studiemiddag rond het zogenoemde ‘participatiecijfer’. In Duitsland telt de “mündliche Beteiligung” mee voor het eindcijfer. Op diverse Nederlandse scholen hebben docenten pilotprojecten gestart voor de invoering van een participatiecijfer naar Duits voorbeeld. Tijdens deze studiemiddag evalueren wij de ervaringen en kijken we gezamenlijk naar de mogelijkheden voor een schoolbrede aanpak. Voor aanmelden ga naar www.duitslandinstituut.nl.

DLL – Fortbildungen Herbst 2018

Deutsch Lehren Lernen

Im Herbst 2018 bieten wir noch 2 Blended Learning – Kurse an:

DLL2 – Wie lernt man die Fremdsprache Deutsch?

DLL6 – Curriculare Vorgaben und Unterrichtsplanung

Beide Kurse laufen online vom 22.09. bis 15.12.2018, mit drei Präsenzseminaren

am Goethe-Institut Rotterdam: Samstag 22.9., 24.11. und 15.12.2018

Preis pro Kurs, inkl. Buch: 250 Euro.

Sie suchen neue Ideen für Ihren Deutschunterricht? Sie möchten sich regelmäßig mit Kolleginnen und Kollegen austauschen? Sie möchten gern Neues in Ihrem Deutschunterricht ausprobieren? Die Fortbildungsreihe Deutsch Lehren Lernen (DLL) wurde speziell für Lehrerinnen und Lehrer auf Grundlage des aktuellen fachdidaktischen Wissensstands der Fachgebiete Deutsch als Fremd- und Zweitsprache entwickelt. Sie rückt den Unterricht ins Zentrum der Aufmerksamkeit. DLL dient der praxisnahen Qualifizierung von Deutschlehrenden, dem Erfahrungsaustausch zwischen Deutschlehrenden, der Reflexion des eigenen Unterrichts, dem Kennenlernen neuer Wege und Möglichkeiten der Unterrichtsgestaltung.

Ausführliche Informationen finden Sie auf der Website des Goethe-Instituts Niederlande.

2 – Wie lernt man die Fremdsprache Deutsch?

Die Lernenden selbst und all das, was sie mit in den Unterricht bringen, beeinflussen den Lehr- und Lernprozess. Je besser wir unsere Lernenden kennen, desto besser können wir unser unterrichtliches Handeln an ihnen orientieren und sie fördern und begleiten:

Welche Faktoren bestimmen das Lernen? – Wie lernt man eigentlich Fremdsprachen? – Wie lernt man Sprachen zu lernen? – Wie helfen andere Sprachen beim Deutschlernen?

DLL6 – Curriculare Vorgaben und Unterrichtsplanung

Einflussfaktoren auf Unterricht – Unterricht planen

Worauf stützen wir uns, wenn wir unseren Unterricht planen, welche Konzepte von Lernzielen/Kompetenzen liegen unserem Handeln zugrunde? Wie planen wir eine Unterrichtseinheit, welche Vorstellungen sinnvoller Abfolgen von Phasen des Unterrichts gibt es? Die Art und Weise, wie wir Unterricht planen, wird durch Rahmenrichtlinien und didaktisch-methodische Prinzipien beeinflusst. Mit dieser Einheit erarbeiten Sie sich aktuelle Orientierungspunkte für Ihre tägliche Arbeit als Lehrkraft und lernen Neuerungen im Bereich des Planens von Unterricht kennen.

Auf der Website www.klett-sprachen.de/dll können Sie übrigens online in den DLL-Bänden DLL2 und DLL6 blättern!

Weitere Fragen zum Inhalt der Kurse beantwortet gern unsere Expertin für Unterricht 

Anne-Katrin Bläske > anne-katrin.blaeske@goethe.de

Anmeldung

bis Anfang September möglich!

 

Mehr zu Deutsch lehren lernen > www.goethe.de/dll

 

Das Mach-Mit-Mobil kommt an Ihre Schule!

Das Mach-Mit-Mobil wird voraussichtlich ab September/Oktober 2019 wieder mit neuen Projektassistentinnen im ganzen Land unterwegs sein!

 

Im Rahmen der Kampagne zur Deutschförderung „Mach mit!“ besucht das Mach-Mit-Mobil im Auftrag der Actiegroup Schulen in den Niederlanden.

Das Mach-mit-Mobil begeistert Schüler und Studenten für das Fach Deutsch und vermittelt interessante Informationen über Deutschland. Unser Team kommt nach Vereinbarung zu Ihnen an die Schule, organisiert spannende Spiele und Aktivitäten rund um Deutschland und die Deutschen.

Interessiert?

Informieren Sie sich auf der Webseite des Mach-Mit-Mobils. Vereinbaren Sie einen Termin für den Besuch des Mach-Mit-Mobils an Ihrer Einrichtung. Senden Sie das ausgefüllte Anmeldeformular an Patricia Tilkorn (mach-mit-mobil-niederlande@goethe.de)

 

Das Frühstücksei

Jeden Mittwoch kocht die Onderwijsafdeling vom Duitsland Institut Amsterdam ein leckeres Frühstücksei: ein aktuelles Thema, aufbereitet für den direkten Gebrauch in der Klasse. Die ganze bunte Eiersammlung finden Sie hier sowie immer rechts auf dieser Seite.

Ostern im Deutschunterricht

Ostern im Deutschunterricht

An Ostern feiern Christen weltweit die Auferstehung Jesu. Die Traditionen rund um Osterhasen und Ostereier sind für den Landeskunde-Unterricht besonders spannend. Dazu hat die Deutsche Welle einige Tipps für Sie zusammengestellt.

DW Deutschlehrer-Info www.dw.com/deutschlehrerinfo 

Goethe-Institut

Auf der Webseite www.goethe.de/festefeiern gibt es zu Ostern auch ein Bild, Texte, einen Unterrichtsvorschlag und Arbeitsblätter (ab B1, B2)! Die Vokabelliste und Online-Aufgaben dazu finden Sie in der Community Deutsch für dich www.goethe.de/dfd > Lernen > Alle Lerninhalte > Suche: Ostern!

Das Goethe-Institut Portugal hat eine sehr schöne Sammlung von Arbeitsblättern und Spielen zum Thema Ostern zusammengestellt, die sich besonders gut für den Unterricht mit Kindern eignet. Die meisten Materialien können aber auch bei erwachsenen Lernern zum Einsatz kommen. Hier finden Sie auch die Links zu den Materialien des Hueber Verlags!

Wer kennt noch mehr schönes Unterrichtsmaterial zu Ostern?