Ik vraag me af hoe vraag 24 bij jullie gemaakt is.
Bij mijn leerlingen is deze vraag opvallend slecht gemaakt. Volgens het correctievoorschrift is het antwoord niet / niet, en strikt genomen snap ik dat wel. De tekst zegt niet dat mensen iemand willen zien sturen, maar dat ze zich veiliger voelen als er iemand aanwezig is die kan ingrijpen.
Toch vind ik dit wel een lastige vraag. Veel leerlingen lijken de kern van de tekst namelijk wél te begrijpen: menselijke aanwezigheid geeft vertrouwen. Alleen struikelen ze vervolgens over het precieze verschil tussen iemand zien sturen en iemand aan boord hebben die kan ingrijpen.
Mijn gevoel is dat deze vraag daardoor minder draait om Duitse taalvaardigheid en meer om heel precies lezen van de Nederlandse bewering. Eén woord — sturen — bepaalt hier eigenlijk alles.
Hoe is deze vraag bij jullie gemaakt? En vinden jullie dit een terechte vraag, of ook wat scherp geformuleerd?