lijst Nederlands-Duits zwakke werkwoorden
A
- B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
aanbellen/rinkelen klingeln
antwoorden antworten
terug naar boven
bedanken danken+3
bedoelen meinen
beleven erleben
betalen zahlen (iets betalen = etwas bezahlen)
betekenen bedeuten
blijken sich herausstellen
boodschappen doen einkaufen
bouwen bauen
terug naar boven
condoleren kondolieren+3
controleren kontrollieren
terug naar boven
danken danken+3
dansen tanzen
dicht doen zumachen
doen LET OP: machen
doorgaan weitermachen
douchen duschen
draaien drehen 20
drukken (bijv. op een knop) drücken
duren dauern
durven sich trauen
terug naar boven
feliciteren gratulieren+3
fotograferen fotografieren
terug naar boven
gaan liggen sich hinlegen
gaan zitten sich setzen
gebeuren passieren
geloven glauben+3
geloven in glauben an+4
terug naar boven
halen holen
herhalen wiederholen
het redden es schaffen
hopen hoffen
horen hören
horen bij gehören zu
houden van lieben
huilen weinen
huren mieten
terug naar boven
kennismaken kennenlernen
kloppen (op deur) klopfen
kloppen (juist zijn) stimmen
koken kochen
kopen kaufen
kosten kosten+4
terug naar boven
lachen lachen (LET OP: voltooid deelwoord = gelacht)
laten weten Bescheid sagen+3
laten zien zeigen
leggen legen
leren lernen
leven leben
liften trampen
luisteren zuhören+3
terug naar boven
maken machen
melden melden
merken merken
missen vermissen
missen verpassen
missen, ontbreken fehlen
terug naar boven
nadenken sich etwas überlegen
neerleggen hinlegen
neerzetten hinstellen
nodig hebben brauchen
terug naar boven
ontbreken, missen fehlen
onthouden sich merken
opendoen aufmachen
ophouden aufhören
oplossen (probleem) lösen
opletten aufpassen
oversteken überqueren
terug naar boven
parkeren parken
plakken kleben
praten reden
proberen versuchen
proeven kosten
terug naar boven
regenen regnen
reizen reisen
remmen bremsen
terug naar boven
schoonmaken sauber machen
smaken schmecken
spelen spielen
spellen buchstabieren
stoken heizen
storen stören
studeren studieren
sturen schicken
terug naar boven
tanken tanken
tegenkomen begegnen+3
telefoneren telefonieren
tellen zählen
toestaan erlauben
trouwen met heiraten
twijfelen aan zweifeln an+3
terug naar boven
uitdoen (licht) ausmachen
uitleggen erklären
uitrusten sich ausruhen
terug naar boven
verbeteren verbessern
verdienen verdienen
verklaren erklären
verkopen verkaufen
verliefd worden op sich verlieben in+4
vermoorden ermorden
vertalen übersetzen
vertellen erzählen
vertrouwen vertrauen+3
volgen folgen+3
terug naar boven
wachten warten
wekken wecken
wennen aan sich gewöhnen an+4
werken arbeiten
wisselen wechseln
wonen wohnen
terug naar boven
zeggen sagen
zetten stellen
zich bewegen sich rühren
zich haasten sich beeilen
zich herinneren aan sich erinnern an+4
zich vergissen sich irren
zich verheugen sich freuen
zijn van gehören+3
zoeken suchen
terug naar boven
| LET OP: als er bijv. +3 bij een woord staat betekent dit, dat dit (werk)woord altijd de 3e krijgt. Het gaat hier om werkwoorden met een vaste naamval. terug naar boven |