voorzetsels met de derde of
vierde naamval
| an |
= aan, naar |
über |
= over, via, boven |
|
auf |
= op |
unter |
= onder |
|
hinter |
= achter |
vor |
= voor, geleden |
|
neben |
= naast |
zwischen |
= tussen |
|
in |
= in, naar |
|
|
voorbeeldzinnen
- an = aan, naar, bij
Aan de muur hing een foto.- An der Wand hing ein Bild.
We zijn naar het strand gegaan.- Wir sind an den Strand gefahren.
Ze stond bij het raam. - Sie stand am Fenster.
-
auf = op
Ik heb op jou gewacht.
- Ich habe auf dich gewartet.
-
hinter = achter
Pas op, er staat iemand achter je.
- Vorsicht, es steht jemand hinter dir.
-
neben = naast
De auto stond naast het huis.
- Das Auto stand neben dem Haus.
-
in = in, naar
Er waren veel klanten in de winkel.
- Es gab viele Kunden im Laden.
Ga je mee naar de bioscoop ?
- Gehst du mit ins Kino ?
-
über = over/via, boven
Ik rijd over/via Aken.
- Ich fahre über Aachen.
Boven de wolken schijnt de zon het mooist.
- Über den Wolken scheint die Sonne am schönsten.
-
unter = onder
Je pen ligt onder het boek.
- Dein Kugelschreiber liegt unter dem Buch.
-
vor = voor, geleden
Het is tien voor twaalf.
- Es ist zehn Minuten vor zwölf.
Ik wacht wel hier voor de deur.
- Ich warte schon hier vor der Tür.
Twee jaar geleden was ik heel ziek.
- Vor zwei Jahren war ich sehr krank.
-
zwischen = tussen
De sleutel lag tussen zijn papieren.
- Der Schlüssel lag zwischen seinen Unterlagen.
wanneer 3e of 4e naamval bij deze
voorzetsels ?
A als je kunt vragen waar? (een plaats) of wanneer? (tijdstip): 3e naamval
B als je kunt vragen waar naartoe? of is er een
beweging in
een richting? : 4e naamval
C als je al deze vragen niet kunt stellen:
bij auf en über: 4e naamval bij alle andere: 3e naamval
|
voorbeelden met deze voorzetsels:
-
voorbeeld 1
Het boek ligt op de bank.
UITLEG: Je kunt vragen waar (ligt het boek) ?, dus derde naamval:
- Das Buch liegt auf der Couch.
- voorbeeld 2
Ik leg het boek op de bank.
UITLEG: Er is een beweging: het boek wordt ergens neergelegd, dus vierde naamval:
- Ich lege das Buch auf die Couch.
- voorbeeld 3
Een half uur geleden was ze hier nog.
UITLEG: Je kunt vragen wanneer (was ze hier nog) ?: dus 3e naamval:
- Vor einer halben Stunde war sie hier noch.
- voorbeeld 4
Ik heb de foto boven het bureau gehangen.
UITLEG: Er is een beweging (ook al was dat vroeger): dus 4e naamval
- Ich habe das Bild über den Schreibtisch gehängt.
- voorbeeld 5
Een blik op zijn horloge vertelde hem dat hij weer te laat was.
UITLEG: Je kunt vragen waar naartoe (keek hij) ? dus 4e naamval:
- Ein Blick auf seine Uhr erzählte ihm, daß er wieder zu spät war.
- voorbeeld 6
Ik reageer op de vraag.
UITLEG: Je kunt niet vragen waar? wanneer? waar naartoe? en er is geen beweging.
Dan geldt: bij auf en über 4e, alle andere 3e.
Hier dus 4e: - Ich reagiere auf die Frage.
- voorbeeld 7
Ik wacht al meer dan een uur.
UITLEG: Je kunt niet vragen waar? wanneer? waar naartoe? en er is geen beweging.
Dan geldt: bij auf en über 4e, alle andere 3e.
Hier dus 4e: - Ich warte schon über eine Stunde.
- voorbeeld 8
Hij wacht op zijn vrouw.
UITLEG: Je kunt niet vragen waar? wanneer? waar naartoe? en er is geen beweging.
Dan geldt: bij auf en über 4e, alle andere 3e.
Hier dus 4e: - Er wartet auf seine Frau.
- voorbeeld 9
Hij wacht voor het station op zijn vrouw.
UITLEG: Je kunt vragen waar (wacht hij op zijn vrouw) ?,
dus wel derde naamval voor het stukje "voor het station":
- Er wartet vor dem Bahnhof auf seine Frau.
|