EIN-groep: voorbeeldzinnen
met uitleg
voorbeeld 1
Eén hond is ziek geworden.
UITLEG: een hond is onderwerp: 1e naamval. Verder is hond in het Duits
mannelijk. In de zin krijg je dus: mannelijk, eerste naamval: ein
Ein Hund ist krank geworden.
voorbeeld 2
Ik heb een hond gevonden aan de kant van de weg.
UITLEG: een hond is lijdend voorwerp: 4e naamval. Verder is de hond in het
Duits mannelijk. In de zin krijg je dus: mannelijk, vierde naamval. Een stukje van het
antwoord weet je ook al: een is in het Duits iets met ein... . Alleen moet
daar nog een uitgang achter: In het schema boven zie je staan einen. De laatste
letters, de en geven aan dat je die uitgang achter ein moet zetten:
Ich habe einen Hund gefunden am Straßenrand.
voorbeeld 3
Ik heb de bestelling aan uw dochter gegeven.
UITLEG: uw dochter is meewerkend voorwerp (er staat aan voor): 3e naamval.
Verder is dochter natuurlijk vrouwelijk. In de zin krijg je dus: vrouwelijk, derde
naamval. Een stukje van het antwoord weet je ook al: uw is in het Duits iets met Ihr..
. Alleen moet daar nog een uitgang achter: In het schema boven zie je staan einer.
De laatste letters, de er geven aan dat je die uitgang achter Ihr moet
zetten. Dat wordt dan dus:
Ich habe die Bestellung Ihrer Tochter gegeben.