DER-groep: voorbeeldzinnen
met uitleg
voorbeeld 1
De hond is ziek.
UITLEG: de hond is onderwerp: 1e naamval. Verder is de hond in het Duits
mannelijk: der. In de zin krijg je dus: mannelijk, eerste naamval: der
Der Hund ist krank.
voorbeeld 2
Deze hond is niet ziek.
UITLEG: deze hond is onderwerp: 1e naamval. Verder is de hond in het Duits
mannelijk: der. In de zin krijg je dus: mannelijk, eerste naamval. Een stukje van
het antwoord weet je ook al: deze is in het Duits iets met dies... . Alleen
moet daar nog een uitgang achter: In het schema boven zie je staan der. De laatste
letter, de r geeft aan dat je die uitgang achter dies moet zetten. Maar diesr
kan natuurlijk niet. In zo'n geval moet je er een e bij-smokkelen:
Dieser Hund ist nicht krank.
voorbeeld 3
Sommige spelers heb ik een groot compliment gegeven.
UITLEG: sommige spelers is meewerkend voorwerp (je kunt er "aan" voor
denken): 3e naamval. Verder is spelers natuurlijk meervoud. We kijken dus in het
laatste rijtje. In de zin krijg je dus: meervoud, derde naamval. Een stukje van het
antwoord weet je ook al: sommige is in het Duits iets met manch.. . Alleen
moet daar nog een uitgang achter: In het schema boven zie je staan den. De laatste
letter, de n geeft aan dat je die uitgang achter manch moet zetten. Maar manchn
kan natuurlijk niet. In zo'n geval moet je er een e bij-smokkelen: manchen. Maar in
het schema staat ook nog dat je een -n achter het zelfstandig naamwoord moet
toevoegen, achter Spieler dus:
Manchen Spieler habe ich ein dickes Kompliment
gegeben.