zitten te praten, staan te
wachten, liggen te lezen enz. =
A om aan te geven dat iets lang duurt kun je in het Nederlands zeggen:
Ik zit/lig een boek te lezen.
Hij loopt/staat te piekeren.
Het gaat er dan niet om dat je daarbij zit, ligt, loopt enz. maar dat het lang duurt.
In het Duits kun je dat niet vertalen. Je moet het weglaten:
Ik zit/lig een boek te lezen.
- Ich lese ein Buch.
Hij loopt/staat te piekeren.
- Er grübelt.
B Dat geldt ook voor uitdrukkingen met aan het: aan het
lezen, werken zijn enz.
Ik ben aan het lezen.
- Ich lese.
Hij is aan het piekeren.
- Er grübelt.
C als het lang duurt maar het zitten, liggen, staan zelf ook
wel van belang is vertaal je dat met und:
Hij zat op het toilet de krant te lezen.
- Er saß auf der Toilette und las die Zeitung.
Ze lag in de tuin een boek te lezen.
- Sie lag im Garten und las ein Buch.
Hij stond te vissen aan de rivier.
- Er stand am Fluß und angelte.
D om aan te geven dat iets je irriteert gebruik je bijv.
"Zit niet te zeuren!"
Dit kun je weergeven door: herum (of rum) voor het werkwoord te zetten:
Zit niet te zeuren!
- Hör auf (he)rumzunörgeln!
of toe te voegen: die ganze Zeit, den ganzen Tag:
Ze zit voortdurend te storen.
- Sie stört die ganze Zeit.
Hij loopt de hele dag te mopperen
- Er meckert den ganzen Tag (he)rum.