overige diversen

open =

  • als iets open is: offen
    De deur is open hoor !
    - Die Tür ist offen !
  • als iets open gemaakt/gedaan wordt: auf
    Doe je even een raam open, Ilse ?
    - Machst du bitte mal ein Fenster auf, Ilse ?

terug naar boven

over = meestal über, maar...

  • in kloktijden: nach
    Kwart over acht
    - Viertel nach acht
  • over een bepaalde tijd: in (hier: +3)
    De foto's zijn over een week klaar.
    - Die Fotos sind in einer Woche fertig.
  • je kunt het vervangen door via: über
    Ik rijd het liefst over [=via] Venlo.
    - Ich fahre am liebsten über Venlo.
  • als het om een rest gaat: übrig
    Zo blijft er niets over.
    - So bleibt nichts übrig.
  • als deel van het werkwoord overgaan: vorbeigehen
    Dat gaat wel over, maak je geen zorgen.
    - Das geht schon vorbei, mach dir keine Sorgen.
  • als je vertelt waar iets (een verhaal, film enz.) over gaat: handeln von
    Het boek gaat over de Idianen in Amerika. - Das Buch handelt von den Indianeren in Amerika.

terug naar boven

plaats van de persoonsvorm bij weil en denn =

  • want = denn : persoonsvorm direkt na het onderwerp
    Ik kom niet want ik heb geen tijd.
    - Ich komme nicht, denn ich habe keine Zeit.
  • omdat = weil : persoonsvorm aan het einde van de bijzin
    Ik kom niet, omdat ik geen tijd heb.
    - Ich komme nicht, weil ich keine Zeit habe.

terug naar boven

s, ss of ß ?

REGEL: De ss komt na een kort uitgesproken klinker (zoals in wir müssen).
In andere gevallen wordt meestal een ß geschreven (bijv. ich weiß) of een gewone s (ich lese).

bijvoorbeeld:

  • der Fluss = de rivier (de u wordt kort uitgesproken)
  • der Fuß = de voet (de u wordt lang uitgesproken)

terug naar boven

toch =

  • als je er nadrukkelijk de klemtoon op legt en
    je kunt het vervangen door ondanks dat:
    dennoch / trotzdem
    Ze heeft het toen toch gedaan.
    - Sie hat es damals dennoch / trotzdem getan.
  • in de meeste andere gevallen: doch
    Jij had toch geen auto ?
    - Du hattest doch kein Auto ?

terug naar boven

toen =

  • als je het kunt vervangen door: op het moment dat: als
    Toen [=op het moment dat] ik binnenkwam, was iedereen al weg.
    - Als ich hereinkam, waren alle schon weg.
  • als je het kunt vervangen door vroeger: damals
    Toen [=vroeger] waren er nog geen auto's.
    - Damals gab es noch keine Autos.
  • als je vertelt over gebeurtenissen: eerst ... toen: zuerst ... dann
    Eerst kocht hij een winkel, toen trouwde hij, toen kregen ze kinderen.
    Zuerst kaufte er einen Laden, dann heiratete er, dann bekamen sie Kinder.

terug naar boven

Umlaut of niet? =

De Umlaut komt alleen maar voor op een a, au, u of o.

Als ezelsbruggetje kun je daarvoor het woord "auto" onthouden: Daar zitten al die letters in.

LET OP: De Umlaut kan ook voorkomen op een hoofdletter.

voorbeelden:

  • Egypte = Ägypten
  • de oefening = die Übung

terug naar boven

voor =

  • als het betekent: bestemd voor: für+4
    Dat is voor [=bestemd voor] je zus.
    - Das ist für deine Schwester.
  • als je vóór iets bent: für
    Ben je vóór of tegen de doodstraf ?
    - Bist du für oder gegen die Todesstrafe?
  • in alle andere gevallen: vor
    Hij stond voor de deur.
    - Er stand vor der Tür.

terug naar boven

vragen =

  • als je wilt, dat een ander iets doet [=verzoeken]: bitten+4
    Dat was de buurman. Hij vroeg of het wat zachter kon.
    - Das war der Nachbar. Er bat um etwas mehr Ruhe.
    Ze had hem gevraagd parfum voor haar te kopen.
    - Sie hatte ihn gebeten, ihr Parfum zu kaufen.
    Daar heb ik niet om gevraagd !
    - Darum habe ich nicht gebeten !
  • als je iets te weten wilt komen: fragen+4
    Ik vraag even, of er nog kaartjes zijn.
    - Ich frage mal, ob es noch Karten gibt.

LET OP: vragen aan vertaal je zonder aan:
Vroeg je dat aan mij ? - Hast du mich gefragt ?

terug naar boven

wanneer =

  • als je het kunt vervangen door op welk moment: wann
    Wanneer [= op welk moment] kom je me eens bezoeken ?
    - Wann kommst du mich mal besuchen ?
    Heb je gevraagd, wanneer [= op welk moment] ze komen ?
    - Hast du gefragt, wann sie kommen ?
  • als je het kunt vervangen door als, indien: wenn
    Wanneer [=als, indien] je er langer naar kijkt, zie je ook meer.
    - Wenn man länger hinsieht, sieht man auch mehr.

terug naar boven

wel =

  • als je het kunt vervangen door weliswaar: zwar
    Ik wil wel [=weliswaar] komen, maar niet vanavond.
    - Ich möchte zwar kommen, aber nicht heute abend.
  • in de uitdrukking: denken van wel: schon
    Of ik ook kom ? Ik denk van wel !
    - Ob ich auch komme ? Ich denke schon !
  • als er twijfel is: eigentlich
    Heb je wel geld bij je ?
    - Hast du eigentlich Geld dabei ?
  • in de meeste andere gevallen: wohl. Raadpleeg een woordenboek !

terug naar boven

woordvolgorde in de zin =

Meestal is de volgorde in de zin hetzelfde als in het Nederlands. Enkele uitzonderingen zijn:

  • in de bijzin staat de persoonsvorm aan het eind:
    Ik hoop, dat ik dan kan komen.
    - Ich hoffe, dass ich dann kommen kann.
    Ze vroeg, of ik haar fiets wilde maken.
    - Sie fragte, ob ich ihr Fahrrad reparieren wollte.
  • groepen werkwoorden staan zoveel mogelijk aan het eind van de zin:
    Hij schijnt te hebben gerekend op mijn medewerking.
    - Er scheint auf meine Mitarbeit gerechnet zu haben.
  • bij meerdere infinitieven achterelkaar moet de volgorde ten opzichte van het Nederlands omgekeerd worden:
    Waar heb je dat laten repareren ?
    - Wo hast du das reparieren lassen ?
    Ik had het hem nog willen zeggen.
    - Ich hätte es ihm noch sagen wollen.

terug naar boven

zitten te praten, staan te wachten, liggen te lezen enz. =

A om aan te geven dat iets lang duurt kun je in het Nederlands zeggen:
Ik zit/lig een boek te lezen.
Hij loopt/staat te piekeren.

Het gaat er dan niet om dat je daarbij zit, ligt, loopt enz. maar dat het lang duurt.

In het Duits kun je dat niet vertalen. Je moet het weglaten:
Ik zit/lig een boek te lezen.
- Ich lese ein Buch.
Hij loopt/staat te piekeren.
- Er grübelt.

B Dat geldt ook voor uitdrukkingen met aan het: aan het lezen, werken zijn enz.
Ik ben aan het lezen.
- Ich lese.
Hij is aan het piekeren.
- Er grübelt.

C als het lang duurt maar het zitten, liggen, staan zelf ook wel van belang is vertaal je dat met und:
Hij zat op het toilet de krant te lezen.
- Er saß auf der Toilette und las die Zeitung.
Ze lag in de tuin een boek te lezen.
- Sie lag im Garten und las ein Buch.
Hij stond te vissen aan de rivier.
- Er stand am Fluß und angelte.

D om aan te geven dat iets je irriteert gebruik je bijv. "Zit niet te zeuren!"
Dit kun je weergeven door: herum (of rum) voor het werkwoord te zetten:
Zit niet te zeuren!
- Hör auf (he)rumzunörgeln!
of toe te voegen: die ganze Zeit, den ganzen Tag:
Ze zit voortdurend te storen.
- Sie stört die ganze Zeit.
Hij loopt de hele dag te mopperen
- Er meckert den ganzen Tag (he)rum.

terug naar boven