TAALTIPS

gaan =

In het Nederlands gebruik je gaan vaak samen met andere werkwoorden:
de kinderen gaan spelen, ze gaan werken, het gaat regenen, iets gaan vertellen, gaan trouwen enz.

In het Duits kun je gehen alleen combineren met werkwoorden die aangeven, dat je ook werkelijk ergens naar toe gaat. Dat kan buitenshuis zijn (arbeiten gehen, einkaufen gehen, nach Hause gehen), maar ook als je bijv. binnenshuis op moet staan en iets gaat halen of doen (bijv. schlafen gehen).

  • In andere gevallen moet je gaan in het Duits weglaten of omschrijven:
    weglaten:
    Wat ga je volgende week doen ?
    - Was machst du nächste Woche ?
    Ik ga dat niet nog eens uitleggen.
    - Ich erkläre das nicht noch einmal.
    Morgen gaan ze trouwen.
    - Morgen heiraten sie.
  • omschrijven met werden of wollen:
    Ik ga hem morgen bellen
    - Ich werde/will ihn morgen anrufen.
    Ze gaat in Engeland studeren.
    - Sie wird/will in England studieren.
    Je gaat me toch niet vertellen,
    - Du wirst/willst mir doch nicht dat erzählen, dass...
  • omschrijven met anfangen of beginnen:
    Het gaat weer regenen.
    - Es fängt schon wieder an zu regnen. / Es beginnt schon wieder zu regnen.
    De film gaat zometeen beginnen.
    - Der Film fängt gleich an. / Der Film beginnt gleich.
    Het kind ging huilen.
    - Das Kind fing an zu weinen. / Das Kind begann zu weinen.

gelukkig =

als het om de toestand van gelukkig zijn gaat: glücklich
En ze leefden nog lang en gelukkig.
- Und sie lebten noch lange und glücklich.
als iets meevalt: zum Glück
Gelukkig had niemand het gezien.
- Zum Glück hatte keiner es gesehen.

helemaal =

  • ter versterking van het woord nicht: gar / überhaupt
    Dat wist ik helemaal niet.
    - Das wußte ich gar nicht / überhaupt nicht.
  • in alle andere gevallen: ganz
    De wond was helemaal genezen.
    - Die Wunde war ganz geheilt.
    Het is me nu helemaal duidelijk.
    - Es ist mir jetzt ganz klar.

iedereen =

Iedereen vertaal je met een vorm van jed.. of all.. (met de gewone uitgangen van de DER-groep).

bijvoorbeeld:

  • 1e naamval: Dat weet toch iedereen!
    - Das weiß doch jeder! / Das wissen doch alle!
  • 3e naamval: Ze heeft met iedereen gesproken.
    - Sie hat mit jedem gesprochen. / Sie hat mit allen gesprochen.
  • 4e naamval: Ik ken iedereen in de buurt hier.
    - Ich kenne hier jeden. / Ich kenne hier alle.

In schema:

1 onderwerp jeder / alle
2 bezit jedes einzelnen
3 meewerkend voorwerp jedem / allen
4 lijdend voorwerp jeden / alle

je =

In het Nederlands wordt je in twee verschillende betekenissen gebruikt:

- in dezelfde betekenis als jij: Heb je [= jij] een gulden voor mij ?
- in de betekenis men: Zoiets doe je [= doet men] gewoon niet.

In het Duits mag je niet iedere Nederlandse je met du vertalen.
Want du verwijst bijna altijd naar één bepaalde persoon.

REGEL:

  • als je je kunt vervangen door men : man
  • in alle andere gevallen: du

voorbeelden:

  • Je [=men] kunt nooit weten.
    - Man kann nie wissen.
  • Waar was je [=jij] gisteren ?
    - Wo warst du gestern ?
  • Zoiets doe je [=men] niet.
    - So etwas macht man nicht.
  • Dat weet je [=jij] toch ?
    - Das weißt du doch ?
  • Hier kun je [=men] geen loten kopen.
    - Hier kann man keine Lose kaufen.
  • Je [=men] mag hier ook niks!
    - Man darf hier auch nichts!

komen =

In het Nederlands kun je komen samen met een infinitief gebruiken:
iets komen vertellen, iets komen afhalen, komen praten met iemand enz.

Dat kan in het Duits niet, je moet het omschrijven:
bijvoorbeeld:

  • Ik kom hem morgen afhalen.
    - Ich hole ihn morgen ab.
  • Ik kom het cadeau wel brengen.
    - Ich bringe das Geschenk schon vorbei.
  • Ik kom eens met je praten.
    - Ich möchte mal mit dir reden.

langs =

  • als je iets kort passeert: an+3 ... vorbei
    Gisteren kwam ik nog langs je huis.
    - Gestern kam ich noch an deinem Haus vorbei.
  • in de werkwoorden langs gaan / langs komen: vorbeischauen / vorbeikommen
    Wanneer kon je weer eens langs ?
    - Wann kommst du mal wieder vorbei ? / Wann schaust du mal wieder vorbei ?
  • in alle andere gevallen: entlang+4 (evenwijdig aan, duurt langere tijd)
    LET OP: voorzetsel komt erachter !
    Ze fietste langs de rivier
    - Sie radelte den Fluß entlang.

maar =

  • als je het kunt vervangen door slechts: nur
    De herfstvakantie duurt maar een week. (slechts een week)
    - Die Herbstferien dauern nur eine Woche.
  • als je het kunt vervangen door echter: aber
    Het spijt me maar ik kan niet op maandag. (ik kan echter niet op maandag)
    - Es tut mir leid, aber ich kann nicht am Montag.
  • in uitdrukkingen als: geen .. maar : kein .. sondern, niet .. maar: nicht .. sondern
    Sorry, ik wilde geen aardbeien maar aardappelen !
    - Entschuldigung, ich wollte keine Erdbeeren sondern Kartoffeln !

maken =

  • als je het kunt vervangen door produceren: produzieren / herstellen
    In deze fabriek worden TV's gemaakt.
    - In diesem Werk werden Fernseher produziert / hergestellt.
  • als je het kunt vervangen door repareren: reparieren
    Kun je mijn fiets maken ?
    - Kannst du mein Fahrrad reparieren ?
  • in de uitdrukking: (n)ergens mee te maken hebben: tun
    Hij heeft er niets mee te maken.
    - Er hat nichts damit zu tun.
  • in alle andere gevallen: raadpleeg een woordenboek

erg =

  • als je iets heel vervelend of naar vindt: schlimm
    Dat is niet erg.
    - Das ist nicht schlimm.
  • in alle andere gevallen: ganz / sehr
    Het was erg leuk.
    - Es war ganz toll.
    Ik vond het erg interessant.
    - Ich fand es sehr interessant.

naar =

naar is bijna altijd: zu
Ze gaat naar haar oma.
- Sie fährt zu ihrer Oma.
Ik moet naar de bank.
- Ich muß zur Bank.

behalve in de volgende gevallen:

  • voor woonplaatsen: nach
    naar Londen
    - nach London
  • voor landen, mits ze geen vast lidwoord bij zich hebben: nach
    naar Frankrijk
    - nach Frankreich
  • in de uitdrukkingen: naar huis gaan, thuiskomen: nach
    naar huis gaan
    - nach Hause gehen
    thuis komen
    - nach Hause kommen
  • in een aantal vaste uitdrukkingen met fahren: an
    naar het strand gaan
    - an den Strand fahren naar de zee gaan / ans Meer fahren
  • in een aantal vaste uitdrukkingen met gehen en fahren: in
    naar de bioscoop gaan
    - ins Kino gehen
    naar het theater/toneel
    - ins Theater gehen
    naar de disko gaan
    - in die Disko gehen
    naar de bergen gaan
    - in die Berge fahren
    naar het zuiden gaan (noorden, westen enz.)
    - in den Süden fahren
  • voor landen met een vast lidwoord, zoals: die Niederlande, die Schweiz: in
    naar Nederland gaan
    - in die Niederlande fahren
    naar Zwitserland gaan
    - in die Schweiz fahren
LET OP:
Voor de vertaling van naar in naar boven/binnen/buiten/beneden gaan/komen:
zie binnen, buiten, boven, beneden

of =

  • als er sprake is van keuzes of mogelijkheden: oder
    Wil je koffie of thee ?
    - Möchtest du Kaffee oder Tee ?
    Je kunt er tennissen of zwemmen of iets anders.
    - Man kann dort Tennis spielen oder schwimmen oder etwas anderes.
  • als er indirekt een vraag wordt gesteld: ob
    Ik weet niet of ik nog geld heb. [indirekte vraag: Heb ik nog geld ?]
    - Ich weiß nicht, ob ich noch Geld habe.
    Of ik van dieren houd ? Natuurlijk! [indirekte vraag: Hou je van dieren?]
    - Ob ich Tiere mag ? Klar !
  • als het om een heel dwingende keuze gaat: òf ... òf: entweder ... oder
    òf je doet mee òf je vertrekt !
    - Entweder du machst mit oder du verschwindest !

om =

REGEL: Als je om in het Nederlands weg kunt laten moet je het in het Duits weglaten:

Ze was niet bereid (om) langer te blijven.
- Sie war nicht bereit, länger zu bleiben.

op =

  • als je aangeeft op welke dag: am
    Ik kom op maandag.
    - Ich komme am Montag.
    Ik kom op de 14e.
    - Ich komme am 14.
  • als iets op is, verbruikt is: alle
    De koffie is op.
    - Der Kaffee ist alle.
  • op TV: im
    Wat is er op TV ?
    - Was gibt's im Fernsehen?
  • in veel andere gevallen: auf+3+4
    Het geld ligt op tafel.
    - Es liegt auf dem Tisch.
    Ik hoop op goed weer.
    - Ich hoffe auf gutes Wetter.

    raadpleeg een woordenboek voor andere gevallen