gaan =
In het Nederlands gebruik je gaan vaak samen met andere werkwoorden:
de kinderen gaan spelen, ze gaan werken, het gaat
regenen, iets gaan vertellen, gaan trouwen
enz.
In het Duits kun je gehen alleen
combineren met werkwoorden die aangeven, dat je ook werkelijk ergens naar toe gaat.
Dat kan buitenshuis zijn (arbeiten gehen, einkaufen gehen, nach Hause gehen), maar ook als
je bijv. binnenshuis op moet staan en iets gaat halen of doen (bijv. schlafen gehen).
- In andere gevallen moet je gaan in
het Duits weglaten of omschrijven:
weglaten:
Wat ga je volgende week doen ?
- Was machst du nächste Woche ?
Ik ga dat niet nog eens uitleggen.
- Ich erkläre das nicht noch einmal.
Morgen gaan ze trouwen.
- Morgen heiraten sie.
-
omschrijven met werden of wollen:
Ik ga hem morgen bellen
- Ich werde/will ihn morgen anrufen.
Ze gaat in Engeland studeren.
- Sie wird/will in England studieren.
Je gaat me toch niet vertellen,
- Du wirst/willst mir doch nicht dat erzählen, dass...
-
omschrijven met anfangen of beginnen:
Het gaat weer regenen.
- Es fängt schon wieder an zu regnen. / Es beginnt schon wieder zu
regnen.
De film gaat zometeen beginnen.
- Der Film fängt gleich an. / Der Film beginnt gleich.
Het kind ging huilen.
- Das Kind fing an zu weinen. / Das Kind begann zu weinen.
|