TAALTIPS

overige diversen

aanspreekvormen: Sie of du? =

  • tegen kinderen en jongeren van jouw leeftijd: du

  • in alle andere gevallen: Sie

Onthoud: In het Nederlands is het ongebruikelijk dat twee goede kennissen of vriend(inn)en u tegen elkaar blijven zeggen. In het Duits komt dat nogal eens voor. Dat wil beslist niet zeggen dat ze dan "afstandelijk" of "koel" met elkaar zouden omgaan, maar in Duitsland betekent "Du" onder volwassenen dat je een goede vriendschapsband hebt. Daarom is het in Duitsland niet zo gebruikelijk om snel "jij" tegen iemand te zeggen, zoiets "moet groeien" !

als =

  • als je een voorwaarde aangeeft: (= indien): wenn
    Deze versie van wenn komt vaak in combinatie met dann voor:
    Als [=indien] je mij helpt, (dan) geef ik een rondje bier.
    - Wenn du mir hilfst, (dann) gebe ich eine Runde Bier aus. (dat is dus de voorwaarde ! )
  • als je over iets vertelt, wat vroeger regelmatig gebeurde: wenn
    Als ik met opa naar de stad ging, kreeg ik een ijsje.
    - Wenn ich mit Opa in die Stadt fuhr, bekam ich ein Eis.
  • als je het kunt vervangen door zoals: wie
    Ze was als een moeder voor hem. (ze was zoals een moeder voor hem.)
    - Sie war wie eine Mutter zu ihm.
    Je gedraagt je als een idioot! (zoals een idioot zich gedraagt)
    - Du benimmst dich wie ein Idiot!
  • als je ermee bedoelt: "in die rol, in die functie, in die betekenis (identiteit)": als
    Als echte voetbalfan vind ik dat heel erg.
    - Als echter Fußballfan finde ich das sehr schlimm.
    Ik zie dat niet als een groot probleem.
    - Ich sehe das nicht als ein großes Problem.

anders =

  • als het betekent: op een andere manier: anders
    Ik doe dat altijd heel anders [=op een andere manier].
    - Ich mache das immer ganz anders.
  • als het betekent: als dat niet gebeurt: sonst
    U kunt beter nu betalen anders [=als dat niet gebeurt] krijgt u problemen.
    - Sie können besser jetzt zahlen, sonst bekommen Sie Probleme.

beneden =

  • ergens beneden zijn (in een gebouw, in een dal enz.): unten
    Waar ben je ? Ik ben beneden!
    - Wo bist du ? Ich bin unten!
  • deel van het werkwoord: naar beneden komen: herunterkommen
    Hoi Hans! Ik ben hier, kom maar naar beneden!
    - Hallo Hans! Ich bin hier, komm schon herunter!
  • deel van het werkwoord: naar beneden gaan: hinuntergehen
    Hoi Hans! Ga maar alvast naar beneden, ik kom zo.
    - Hallo Hans! Geh schon hinunter, ich komme gleich.
  • beneden een bepaalde leeftijd [=onder]: unter [hier: +3]
    beneden de 18 [= onder de 18]
    - unter 18 Jahren
  • beneden een bepaalde grens: unterhalb+2
    De temperatuur bleef beneden de kritische grens.
    - Die Temperatur blieb unterhalb der kritischen Grenze.

bijstelling =

Een bijstelling is een woordgroep die verwijst naar een zelfstandig naamwoord. 
In de zin voegt het iets toe aan de betekenis van dat zelfstandig naamwoord.

Bijvoorbeeld:
- Mijn oom, toen al een rijke zakenman, kocht in 1956 een landhuis.
- Mijn auto, een oude Opel, heb ik moeten verkopen.

Kenmerkend voor de bijstelling is, dat er geen werkwoord in voorkomt. Anders zou het immers een bijzin zijn !

Welke naamval krijgt een bijstelling?
De bijstelling heeft dezelfde naamval als het zelfstandig naamwoord in de zin waarnaar het verwijst.

voorbeelden:

Mein Onkel, damals schon ein reicher Mann, kaufte ein Landhaus.
onderwerp:
1e naamval
bijstelling bij "Mein Onkel":
dus ook 1e naamval

 

Mein Auto, einen alten Opel, habe ich verkaufen müssen.
lijdend voorwerp:
4e naamval
bijstelling bij "Mein Auto":
dus ook 4e naamval

ook na als:
Na als komt vaak een bijstelling. Ook daar geldt dat de bijstelling dezelfde naamval krijgt als het woord waar hij naar verwijst:

Ik heb hem als jonge man in Australië leren kennen.
- Ich habe ihn als jungen Mann in Australien kennengelernt.

Hij ging als jonge man naar Azië.
- Er ging als junger Mann nach Asien.

 

binnen =

  • binnen een bepaalde tijd: binnen een uur, een maand etc. : innerhalb+2
    binnen een uur
    - innerhalb einer Stunde
  • binnen een bepaald gebied: binnen Amerika, binnen Europa: innerhalb+2
    binnen Nederland
    - innerhalb der Niederlande
  • binnen zijn (in een gebouw): in+3+4
    Ze zijn nu binnen (bijv. in winkel)
    - Sie sind jetzt im Laden.
  • deel van het werkwoord: naar binnen komen: hereinkommen
    Hoi Hans ! Kom binnen !
    - Hallo Hans ! Komm herein !
  • deel van het werkwoord: naar binnen gaan: hineingehen
    Hoi Hans! Ga maar alvast naar binnen, ik kom zo.
    - Hallo Hans! Geh schon hinein, ich komme gleich.

blijven =

In het Nederlands gebruik je blijven vaak samen met andere werkwoorden:
hij blijft daar wonen
de kinderen blijven vragen
ze blijft praten
ze blijft werken
het blijft regenen enz.

In het Duits kun je bleiben alleen combineren met werkwoorden die een rust aangeven:
sitzen bleiben, stehen bleiben, liegen bleiben, wohnen bleiben enz.

Bijv: Hij bleef op de trap zitten.
- Er blieb auf der Treppe sitzen.

Voor werkwoorden die geen rust aangeven (zoals praten, werken, vragen, regenen enz.) moet je omschrijvingen gebruiken, die ook aangeven dat iets maar steeds doorgaat. Je kunt kiezen uit:

omschrijving met und:
Hij bleef praten.
- Er redete und redete.
Het bleef regenen.
- Es regnete und regnete.
omschrijving met (immer) weiter:
Hij bleef maar doorgaan.
- Er machte immer weiter.
omschrijving met noch immer:
Het blijft regenen.
- Es regnet noch immer.
omschrijving met die ganze Zeit:
Ze bleven maar roken. - Sie rauchten die ganze Zeit.

boven =

  • ergens bovenin een gebouw, bovenop een heuvel zijn enz.: oben
    Waar ben je ? Ik ben boven !
    - Wo bist du ? Ich bin oben !
  • boven iets: boven het raam, de zee, het stadion enz.: über+3+4
    Het schilderij hangt boven de deur.
    - Das Gemälde hängt über der Tür.
  • deel van het werkwoord: naar boven komen: heraufkommen
    Hoi Hans ! Kom maar naar boven !
    - Hallo Hans ! Komm (he)rauf !
  • deel van het werkwoord: naar boven gaan: hinaufgehen
    Hoi Hans ! Ga maar alvast naar boven, ik kom zo.
    - Hallo Hans ! Geh schon hinauf, ich komme gleich.
  • boven een bepaalde leeftijd: über+3+4
    boven de 18
    - über 18 Jahre
  • boven een bepaalde grens: oberhalb+2
    Boven de 1000 meter wordt de lucht steeds ijler.
    - Oberhalb der 1000-Metergrenze wird die Luft immer dünner.

buiten =

  • buiten een bepaald gebied: buiten Amerika, buiten Europa: außerhalb+2
    buiten Nederland
    - außerhalb der Niederlande
  • ergens buiten (in de buitenlucht): draußen
    De kinderen spelen buiten.
    - Die Kinder spielen draußen.
  • deel van het werkwoord: naar buiten komen: herauskommen
    De krakers wilden niet naar buiten komen.
    - Die Hausbesetzer wollten nicht herauskommen.
  • deel van het werkwoord: naar buiten gaan: hinausgehen
    Hoi Hans ! Ga maar alvast naar buiten, ik kom zo.
    - Hallo Hans ! Geh schon hinaus, ich komme gleich.

dan =

  • als je vertelt over gebeurtenissen: eerst .. dan : zuerst ... dann
    Eerst koopt hij een winkel, dan trouwt hij, dan krijgen ze kinderen.
    - Zuerst kauft er einen Laden, dann heiratet er, dann bekommen sie Kinder.
  • als je vergelijkt [ zie bij vergelijken]: groter dan, kleiner dan, mooier dan enz.: als
    Hij is groter dan zijn broer.
    - Er ist größer als sein Bruder.
  • als je een voorwaarde aangeeft: als ... dan: wenn ... dann
    Als je mij helpt, dan geef ik een rondje bier.
    - Wenn du mir hilfst, dann gebe ich eine Runde Bier aus.
  • als je belangstelling toont [= eigenlijk]: denn
    Hoe oud ben jij dan [= eigenlijk]?
    - Wie alt bist du denn?

dat =

  • als het een betrekkelijk voornaamwoord is: soms das
    Het boek, dat ik haar wilde geven, was uitverkocht.
    - Das Buch, das ich ihr schenken wollte, war ausverkauft.
  • als het een aanwijzend voornaamwoord is: das
    Dat vind ik stom !
    - Das finde ich blöd !
  • als het een voegwoord is (het verbindt hoofd- en bijzinnen): dass
    Ik denk dat je gelijk hebt.
    - Ich glaube, dass du recht hast.
  • in uitdrukkingen met tijd: wo
    op het moment dat
    - im Moment/Augenblick, wo
    op de dag dat
    - am Tag, wo

dezelfde, hetzelfde =

Deze woorden maak je van der, die of das (uitgangen van de DER-groep) met direkt daarachter het bijvoeglijk naamwoord selbe:

m
mannelijk

v
vrouwelijk

o
onzijdig

mv
meervoud

1 onderwerp derselbe Mann dieselbe Frau dasselbe Kind dieselben Kinder
2 bezit desselben Mannes derselben Frau desselben Kindes derselben Kinder
3 meew. voorwerp demselben Mann derselben Frau demselben Kind denselben Kindern
4 lijd. voorwerp denselben Mann dieselbe Frau dasselbe Kind dieselben Kinder

voorbeelden:

  • mannelijk 1e naamval:
    Dat is toch dezelfde pen ?
    - Das ist doch derselbe Kugelschreiber ?
  • mannelijk 4e naamval:
    Ik heb dezelfde pen als jij !
    - Ich habe denselben Kugelschreiber wie du !
  • onzijdig 1e naamval:
    Dat is allemaal hetzelfde !
    - Das ist alles dasselbe !

door =

  • ergens door heen: durch
    Hij keek door het gat.
    - Er schaute durch das Loch.
  • door middel van: durch
    Door een bliksemaktie kon men hem redden.
    - Durch eine Blitzaktion konnte man ihn retten.
  • als je in een lijdende zin aangeeft wie iets deed of wat de oorzaak was: von
    De hond werd door het echtpaar in het bos gevonden.
    - Der Hund wurde von dem Ehepaar im Wald gefunden. (het echtpaar deed iets: zij vonden de hond)
    Het huis werd door de bliksem getroffen.
    - Das Haus wurde vom Blitz getroffen. (de bliksem was de oorzaak)
  • door + te + infinitief = in de tegenwoordige tijd: wenn
    Door snel te reageren kun je de volgende prijzen winnen: ...
    Wenn du schnell reagierst, kannst du folgende Preise gewinnen: ...
  • door + te + infinitief = in de verleden tijd: indem / dadurch, dass
    Door haar op tijd te bellen, kon hij erger voorkomen.
    - Dadurch, dass er sie rechtzeitig anrief, konnte er Schlimmeres vermeiden.
    - Indem er sie rechtzeitig anrief, konnte er Schlimmeres vermeiden.