1. er is/er zijn

|
probleem
In een zinnetje vergeet je al snel dat het Duitse er altijd hij
betekent. Als je dus vraagt: "Ist er hier eine Disko?" betekent het
"Is hij hier een disko?" |
oplossing
er is /zijn = es gibt
voorbeeldzin
Is er hier een disco? -
Gibt es hier eine Disko?
tip 1:
In het Frans hebben ze ook een vaste uitdrukking hiervoor:
es gibt = il y a
tip 2:
Na es gibt krijg je de vierde naamval
/ HEM-regel
2. dus

|
probleem
Je vertaal het woordje dus voor je het weet met het Engelse "so". |
de oplossing
dus =
also
fout: "Heute habe ich keine Zeit,
so komme ich morgen"
goed: "Heute habe ich keine Zeit, also
komme ich morgen"
3. hoe gaat het met je?

|
probleem
Omdat je in het Nederlands "Hoe gaat het met je" zegt, denk je al snel dat
je dat woordje ook altijd moet vertalen. |
de oplossing
vertalen zonder "mit" !
fout: "Wie geht es mit
dir?" [hoe gaat het met je?]
goed: "Wie
geht es dir?"
4. zullen

|
probleem
Omdat je in het Nederlands "zullen" zegt, denk je al snel
dat je dat woordje ook altijd moet vertalen, en dan kies je al snel
"sollen" omdat dat er veel op lijkt. |
de oplossing
zullen niet altijd vertalen met sollen,
maar juist met werden of zelfs weglaten
:
1. Als je iemand iets aanbiedt / een voorstel
doet
sollen
voorbeeldzin:
Zal ik je helpen?
Soll ich dir helfen?
LET OP:
voorbeeldzin 2 :
als je met meerdere mensen iets aanbiedt / een voorstel doet
gebruik je "wollen wir"
Zullen we nog wat gaan drinken?
Wollen wir noch etwas trinken
gehen?
2. Als het om iets in de toekomst gaat:
werden
voorbeeldzin:
Dat zal ik doen.
Das werde ich machen.
5. dass of das ?

|
probleem
Tijdens het schrijven twijfel je telkens of je dass of das moet gebruiken.
Het is wat verwarrend en gelukkig alleen in de schrijftaal een probleem.
Maar als je het truukje eenmaal door hebt, is het eenvoudig. Je hebt eigenlijk
geen zinsontleding nodig om het goed te doen. |
de oplossing: ezelsbruggetje:
Kun je dass/das in de zin vervangen door
es?
das
Kun je dass/das in de zin niet vervangen door
es
dass
Je moet soms wel in gedachten even de volgorde
binnen de zin aanpassen om te zien of je het kunt vervangen of niet.
voorbeeldzin 1:
Het boek, dat ik haar wilde geven, was uitverkocht.
- Das Buch, das ich ihr schenken wollte,
war ausverkauft.
uitleg:
Je kunt hier das(s) vervangen door es:
"ich wollte es ihr schenken"
es = das
Voor de fans: Hier is das een betrekkelijk voornaamwoord
voorbeeldzin 2:
Dat vind ik stom ! - Das finde ich blöd !
uitleg:
Je kunt hier das(s) vervangen door es:
"Ich finde es blöd!"
es = das
Voor de fans: Hier is das een aanwijzend voornaamwoord
voorbeeldzin 3:
Ik denk dat je gelijk hebt. - Ich glaube, dass du Recht hast.
uitleg:
Je kunt hier das(s) niet vervangen door es:
"Du hast es Recht" is immers onzin
geen 'es'
dass
Voor de fans: hier is dass een voegwoord.
6. gaan

|
probleem
Gaan wordt door door Nederlanders te vaak vertaald met een vorm van
gehen
Hoe komt dit?
In het Nederlands gebruik je gaan vaak samen met andere werkwoorden:
de kinderen gaan spelen, ze gaan werken, het gaat regenen,
iets gaan vertellen, gaan trouwen enz. Omdat je in het Duits het
woord "gehen" kent is het vrij logisch om het dan met gehen te
willen vertalen. |
de oplossing
vertalen
met werden of weglaten
In het Duits kun je "gehen" alleen
gebruiken met werkwoorden die aangeven, dat je ook werkelijk ergens naar toe
gaat. Dat kan buitenshuis zijn (arbeiten gehen, einkaufen gehen, nach
Hause gehen), maar ook als je bijv. binnenshuis op moet staan en iets gaat
halen of doen (bijv. schlafen gehen).
In andere gevallen
moet je "gaan" in
het Duits weglaten of met een ander werkwoord omschrijven:
weglaten:
Wat ga je volgende week doen ?
- Was machst du nächste Woche ?
omschrijven met werden of wollen:
Ik ga hem morgen bellen
- Ich werde/will ihn morgen anrufen.
omschrijven met anfangen of beginnen:
De film gaat beginnen.
- Der Film fängt an. / Der Film beginnt.
7. de vertaling van "ik wil"

|
probleem
Soms kom je per ongeluk onbeschoft over omdat je te vaak "ich
will" gebruikt.
|
de oplossing
als je zelf iets van een ander wilt gebruik je het beleefde
ich möchte (gerne), ...
als je wilt aandringen op iets
of
je iets persé wel of niet wilt gebruik je
ich will
8. je

|
probleem
Nederlanders vertalen je meestal met du, terwijl dat niet
altijd kan. |
de oplossing
Alleen als je één bepaalde persoon bedoelt
du
Bedoel je eigenlijk men
bijvoorbeeld:
"Waar kun je (= kan men) hier bellen"
en dus niet één bepaalde persoon
man
9. toen

|
probleem
Als je iets vertelt in de verleden tijd is het moeilijk om het woordje
"toen" te vertalen. Veel leerlingen gebruiken per ongeluk
"wenn" omdat het zo op het Engelse "when" lijkt. |
de oplossing
kun je toen
vervangen door op dat moment
als
voorbeeldzin
Toen [= op dat moment] ik aankwam, was ze al weg.
Als ich ankam, war sie schon weg.
10. wanneer

|
probleem
Je twijfelt of je wanneer met wann of met wenn moet
vertalen. |
de oplossing
kun je wanneer
vervangen door als, indien [= een voorwaarde dus]
wenn
gaat het om een tijdstip
wann
voorbeeldzinnen
Ik wil graag weten, wanneer [= tijdstip] je komt.
Ich möchte gerne wissen, wann du kommst
Alleen wanneer [= als, indien] je zin hebt.
Nur wenn du Lust hast.
11. de dokter / de arts

|
probleem
Je twijfelt hoe je 'de dokter' moet schrijven in het Duits. |
de oplossing
der Arzt
Klik op oefenen
als
je hiermee wilt oefenen!
|