Luisteren


Spreken

Lezen

Schrijven

Woordenschat

Grammatica


 

Welkom in de "foutenkliniek" (de fouten top-10) van het vaklokaal Duits. Hier vind je meest voorkomende fouten die vrijwel alle Nederlanders in hun Duits maken. Maak je niet teveel zorgen trouwens!! Fouten maken hoort bij leren! Maar niks met je fouten doen is een stuk minder verstandig. 

Klik op oefenen als je hiermee wilt oefenen!

  1. er is/er zijn

probleem
In een zinnetje vergeet je al snel dat het Duitse er altijd hij betekent. Als je dus vraagt: "Ist er hier eine Disko?" betekent het "Is hij hier een disko?"

oplossing
  er is /zijn = es gibt 

voorbeeldzin
Is er hier een disco? - Gibt es hier eine Disko?

tip 1:
In het Frans hebben ze ook een vaste uitdrukking hiervoor: 
es gibt =  il y a
tip 2: 
Na es gibt krijg je de vierde naamval / HEM-regel

  2.  dus 

probleem
Je vertaal het woordje dus voor je het weet met het Engelse "so".

de oplossing   
dus =  also

fout: "Heute habe ich keine Zeit, so komme ich morgen"  
goed: "Heute habe ich keine Zeit, also komme ich morgen" 

  3. hoe gaat het met je?

probleem
Omdat je in het Nederlands "Hoe gaat het met je" zegt, denk je al snel dat je dat woordje ook altijd moet vertalen.

de oplossing  
vertalen zonder "mit" !

fout: "Wie geht es mit dir?"  [hoe gaat het met je?]
goed: "Wie geht es dir?

  4. zullen

probleem
Omdat je in het Nederlands "zullen" zegt, denk je al snel dat je dat woordje ook altijd moet vertalen, en dan kies je al snel "sollen" omdat dat er veel op lijkt.

de oplossing 
zullen niet altijd vertalen met sollen, maar juist met werden of zelfs weglaten :

1. Als je iemand iets aanbiedt / een voorstel doet sollen

voorbeeldzin:
Zal ik je helpen?
Soll ich dir helfen? 

LET OP: 
voorbeeldzin 2 :
als je met meerdere mensen iets aanbiedt / een voorstel doet gebruik je "wollen wir"
Zullen we nog wat gaan drinken?
Wollen wir noch etwas trinken gehen?

2. Als het om iets in de toekomst gaat: werden

voorbeeldzin:
Dat zal ik doen.
Das werde ich machen.

  5. dass of das ?

probleem
Tijdens het schrijven twijfel je telkens of je dass of das moet gebruiken. Het is wat verwarrend en gelukkig alleen in de schrijftaal een probleem. Maar als je het truukje eenmaal door hebt, is het eenvoudig. Je hebt eigenlijk geen zinsontleding nodig om het goed te doen.

de oplossing: ezelsbruggetje:
Kun je dass/das in de zin vervangen door es?  das
Kun je dass/das in de zin niet vervangen door es  dass

Je moet soms wel in gedachten even de volgorde binnen de zin aanpassen om te zien of je het kunt vervangen of niet. 

voorbeeldzin 1:
Het boek, dat ik haar wilde geven, was uitverkocht.
- Das Buch, das ich ihr schenken wollte, war ausverkauft.
uitleg: 
Je kunt hier das(s) vervangen door es: 
"ich wollte es ihr schenken" es = das
Voor de fans: Hier is das een betrekkelijk voornaamwoord

voorbeeldzin 2:
Dat vind ik stom ! - Das finde ich blöd !
uitleg: 
Je kunt hier das(s) vervangen door es: 
"Ich finde es blöd!"  es = das
Voor de fans: Hier is das een aanwijzend voornaamwoord

voorbeeldzin 3:
Ik denk dat je gelijk hebt. - Ich glaube, dass du Recht hast.
uitleg: 
Je kunt hier das(s) niet vervangen door es: 
"Du hast es Recht" is immers onzin geen 'es'  dass 
Voor de fans: hier is dass een voegwoord.

  6. gaan

probleem
Gaan wordt door door Nederlanders te vaak vertaald met een vorm van gehen

Hoe komt dit?
In het Nederlands gebruik je gaan vaak samen met andere werkwoorden:
de kinderen gaan spelen, ze gaan werken, het gaat regenen, iets gaan vertellen, gaan trouwen enz. Omdat je in het Duits het woord "gehen" kent is het vrij logisch om het dan met gehen te willen vertalen.

de oplossing

vertalen met werden of weglaten

In het Duits kun je "gehen" alleen gebruiken met werkwoorden die aangeven, dat je ook werkelijk ergens naar toe gaat. Dat kan buitenshuis zijn (arbeiten gehen, einkaufen gehen, nach Hause gehen), maar ook als je bijv. binnenshuis op moet staan en iets gaat halen of doen (bijv. schlafen gehen).

  In andere gevallen moet je "gaan" in het Duits weglaten of met een ander werkwoord omschrijven:

weglaten:
Wat ga je volgende week doen ? - Was machst du nächste Woche ?

omschrijven met werden of wollen:
Ik ga hem morgen bellen - Ich werde/will ihn morgen anrufen.

omschrijven met anfangen of beginnen:

De film gaat beginnen.
- Der Film fängt an/ Der Film beginnt.

  7. de vertaling van "ik wil"

probleem
Soms kom je per ongeluk onbeschoft over omdat je te vaak "ich will" gebruikt.

de oplossing
als je zelf iets van een ander wilt gebruik je het beleefde ich möchte (gerne), ...

als je wilt aandringen op iets 
of 
je iets persé wel of niet wilt gebruik je   ich will

  8. je

probleem
Nederlanders vertalen je meestal met du, terwijl dat niet altijd kan.

de oplossing
Alleen als je één bepaalde persoon bedoelt du

Bedoel je eigenlijk men 
bijvoorbeeld: 
"Waar kun je (= kan men) hier bellen"
en dus niet één bepaalde persoon man

  9. toen

probleem
Als je iets vertelt in de verleden tijd is het moeilijk om het woordje "toen" te vertalen. Veel leerlingen gebruiken per ongeluk "wenn" omdat het zo op het Engelse "when" lijkt.

de oplossing
kun je toen vervangen door op dat moment als

voorbeeldzin
Toen [= op dat moment] ik aankwam, was ze al weg.
Als ich ankam, war sie schon weg.

  10. wanneer 

probleem
Je twijfelt of je wanneer met wann of met wenn moet vertalen.

de oplossing
kun je wanneer vervangen door als, indien [= een voorwaarde dus] wenn
gaat het om een tijdstip wann

voorbeeldzinnen
Ik wil graag weten, wanneer [= tijdstip] je komt.
Ich möchte gerne wissen, wann du kommst

Alleen wanneer [= als, indien] je zin hebt.
Nur wenn du Lust hast.

  11. de dokter / de arts

probleem
Je twijfelt hoe je 'de dokter' moet schrijven in het Duits.

de oplossing
der Arzt

Klik op oefenen als je hiermee wilt oefenen!

<<< vorige pagina


Copyright © 1997-2011 www.duits.de is een niet-commerciële site voor leerlingen en docenten in het voortgezet onderwijs  Onderdeel van de Stichting Digitale School   Contact en colofon   

 

Google Custom Search