Luisteren


Spreken

Lezen

Schrijven

Woordenschat

Grammatica

Basiskennis spreekzinnen

Hier kun je de handigste en meest voorkomende zinnen opzoeken en oefenen. Met welk lesboek je ook werkt: je zult ze altijd weer tegenkomen, op school en natuurlijk "in het echt"!

Tip voor docenten 

De taalfuncties zijn gebaseerd op de Kerndoelen Basisvorming 1998-2003 en bruikbaar naast elke methode. Laat uw leerlingen eens zelf dialogen en scenes bedenken en spelen, waarin - als "wedstrijdje" - zoveel mogelijk van de onderstaande zinnen gebruikt moeten worden!

Zo kun je je jezelf overhoren: 

  • Houd je muis even stil op de zin, dan zie je de Duitse vertaling!
  • Bedenk eerst voor jezelf het antwoord, zeg het hardop
  • Controleer dan pas of je het goed had!
  • Schrijf de zinnen op een blaadje, die je het moeilijkst vindt en herhaal ze!

alfabetische inhoudsopgave

A (wel|niet) accoord gaan met iets
A afscheid nemen
A een afspraak maken
B bedanken
B begroeten
B gesprek beginnen
B gesprek beïndigen
B beschrijven, vertellen
F feliciteren
H hulp vragen en aanbieden
I om inlichtingen vragen
K iets kopen
M meningen, voorkeuren, oordelen
O oordelen, meningen, voorkeuren
P persoonlijke informatie vragen
T telefoneren
V je verontschuldigen
V vertellen, beschrijven
V voorkeuren, meningen, oordelen
V voorstellen (jezelf of iemand anders)
V vragen naar persoonlijke informatie
W iemand waarschuwen
W iets weigeren
W naar de weg vragen | de weg wijzen
W iemand iets wensen

"reddingsboei-zinnen"

Soms kom je er even niet meer uit in een vreemde taal. Duitsers zijn dan meestal heel behulpzaam, maar met deze zinnen kom je er altijd: 

als het te snel voor je gaat...

vragen hoe je iets zegt | noemt

iets omschrijven

begroeten | gesprek beginnen

Goedendag!
Goedenmorgen! | Goedenmiddag! | Goedenavond!
Hallo! | Hoi!   
Sorry, mag ik u / jou iets vragen?
Kun jij / kunt u mij zeggen, waar ...

 


afscheid nemen | gesprek beëindigen

Tot ziens | Dag! | Doei!
Ik moet nu gaan!   
Tot morgen | overmorgen | volgende week

 


jezelf | iemand anders voorstellen

Hallo, ik heet ...
Ik kom uit ... | Ik woon in ...
Dat is in de buurt van ...
Mijn adres | telefoonnummer | postcode is ...
Ik zit in de tweede klas.
Ik ben 15 jaar oud.
Mijn hobby's zijn voetbal | lezen | muziek | sport | dansen | enz.

 

Dit is ...
Hij / zij heet ...
Hij / zij komt uit ...
Zijn / haar adres | telefoonnummer | postcode is ...
Hij / zij zit in de derde klas.
Hij / zij is 14 jaar oud.
Zijn / haar hobby's zijn ...

naar persoonlijke informatie vragen

Hoe heet jij? | Hoe heet U?
Wie is dat?
Waar kom je vandaan? | Waar komt u vandaan?
Hoe gaat het met jou / U?   -   Met mij gaat het goed.
Heb je nog broers of zussen?
Wat is je / Uw adres, (telefoonnummer, postcode enz.) ?   
In welke klas zit je?
Wat doet u voor werk?
Hoe oud ben je /bent u?
Wat zijn jouw / uw hobby's?

 


telefoneren

Hallo, met [naam]!
Bel ik gelegen voor jou / u?
Ik bel je / u zo terug, OK?
Ogenblikje alsjeblieft!
Dag! [alleen als je een telefoongesprek beëindigt]

 


iets kopen

Weet u waar de sportafdeling is?
Waar vind ik ...?
Ik zoek ...
Heeft u ook?
Hoeveel kost dit?
Ik wil graag ...
De rekening a.u.b!
[fooi geven:] Laat maar zitten.
Hoeveel is dat bij elkaar?
Graag!
Dat was het.
Alstublieft! [ als je het bedrag geeft]

 


naar de weg vragen | de weg wijzen

rechtdoor | linksaf | rechtsaf
afslaan
De straat uitrijden tot de grote kruising.
steeds rechtdoor
daar omdraaien / terug
bij de stoplichten
langs de winkel...
voor / na de bocht
de eerste / tweede / derde straat links / rechts
... en daar is het
precies!
u ziet het meteen
graag gedaan!

 


meningen, voorkeuren, oordelen

Dat is leuk / stom.
Dat was leuk / vreselijk.
Dat doe ik het liefst!
Ik vond het niks.
Dat maakt me niet uit.
Dat weet ik niet.
Ik heb geen zin om te werken.
Dat is een goed idee!
Ik heb er nog even over nagedacht.
Precies!
Graag!
Natuurlijk!
Prima!
Ik vind dat te duur / te goedkoop / te gevaarlijk enz.
Ik wil graag ...
Wat vind jij / vindt u??
Hoe bedoel je dat?
Ben je / Bent u het er mee eens?
Zal ik .... ?
Ik vind van niet.
Daar ben ik het niet mee eens!
Nee, dat wil ik niet.
 

vertellen, beschrijven

Wat heb je gisteren / eergisteren gedaan?
Eerst heb ik boodschappen gedaan en toen ...
 

(wel|niet) accoord gaan met iets

OK!
Afgesproken!
Mee eens
Nee dank u.
 

geven en bedanken

Alstublieft - Dank u wel

 


je verontschuldigen

Sorry!
Het spijt me!

 


feliciteren

Gefeliciteerd!
Gefeliciteerd met je verjaardag!

 


iemand iets wensen

Ik wens je / u ...
Beterschap!
Veel sterkte en geluk!!
Veel succes!
Prettige vakantie!
Vrolijk pasen!
Prettige kerst en een gelukkig nieuw jaar!

 


om inlichtingen | hulp vragen en aanbieden

Ik heb een probleem.
Kunt u / kun jij mij helpen?
Kunt u / kun jij mij zeggen waar, hoe, wanneer ...
Weet u / weet jij waar ik ... ?
Help!
Kan ik u helpen?

 


een afspraak maken 

[oefen hier de kloktijden, opent in een extra venster]
Ik wil graag een afspraak maken.
Heb je zin om naar de bioscoop te gaan ... ?
Zal ik ... ?
Kun jij op woensdag?
Kunt u in het weekend?
's ochtends | 's middags | 's avonds | 's nachts
om half acht | kwart over twaalf | tien voor zes
iets eerder / later

 


iemand waarschuwen

pas op / kijk uit!
let op!
wees voorzichtig!

 


"reddingsboei-zinnen"

als het te snel voor je gaat...

Ogenblikje a.u.b.!
Pardon / Sorry? [ als je iets niet goed hebt verstaan]
Kunt u dat herhalen?
Kunt u dat spellen?
Kunt u iets langzamer praten?
Ik begrijp het echt niet!
Wat wil dat zeggen?

iets omschrijven

Het is ongeveer zo groot / klein / lang / kort / dik / dun  
Je kunt er mee ...
Je kunt het eten / drinken ...

vragen hoe je iets zegt | noemt

Wat is ... in het Duits?
Hoe zeg je ... in het Duits?
Hoe heet dit in het Duits?
Wat betekent dat?

 

<<< vorige pagina


Copyright © 1997-2012 www.duits.de is een niet-commerciële site voor leerlingen en docenten in het voortgezet onderwijs  Onderdeel van de Stichting Digitale School   Contact en colofon   

 

Google Custom Search