Aus dem Leben eines Taugenichts - Joseph von Eichendorff

Novelle, 1826, 10 hoofdstukken
tijd: begin 19e eeuw.
plaats: Duitsland, Oostenrijk (Wenen) en Italië.
omvang: ca. 82 blz.
thema: Hoe een vrolijke dromer tijdens een tocht door de wijde wereld de liefde van zijn dromen vindt.

Inhoud:
Het boek valt met de deur in huis: De hoofdpersoon, die de lezer alleen onder de naam "Taugenichts" (letterlijk: deugniet) leert kennen is een echte levensgenieter en luiert thuis bij zijn vader. Pa heeft er echter genoeg van: Het wordt tijd dat zoonlief voor zichzelf gaat zorgen. T. pakt zijn viool mee en verlaat zijn dorp. Al zingend en spelend op zijn viool ontmoet hij twee adellijke dames, die hem een lift aanbieden op hun koets met bestemming Wenen. Daar wordt hem een baantje als knecht in de tuin van het slot aangeboden. Hij accepteert het baantje en wordt in de komende tijd verliefd op de jongere van de twee dames, die hij echter maar zelden te zien krijgt en waarmee hij als eenvoudige knecht natuurijk geen contact behoort te hebben. Wel zingt hij een paar keer voor haar raam en legt bloemen neer. Ondanks een promotie tot een soort tolwachter is hem duidelijk dat ze onbereikbaar is en gefrustreerd neemt hij impulsief het besluit om alles achter zich te laten, de vrijheid en het avontuur weer op te zoeken en naar Italië te gaan. Onderweg ontmoet hij twee schilders: Leonhard en Guido, en sluit al snel vriendschap met hen. Ze bezorgen hem nieuwe kleding en hij mag meereizen in de postkoets, verder richting Italië. Plotseling zijn ze echter verdwenen, maar de T. wordt als door een onzichtbare hand, van postkoets naar postkoets verder gebracht naar een slot in Italië, waar hij kennelijk verwacht wordt en volledig verzorgd wordt. Daar ontvangt hij een briefje van ene Aurelie, die zegt dat hij nu terug kan keren en dat ze met hem verder wil leven. Hij weet zeker dat dit de jongere adellijke dame is, waar hij zo naar verlangt. Hij hoort van een Duitse schilder dat ze in Rome is en naar hem zoekt, dus gaat hij daar naar toe. Haar dienstmeisje geeft hem een briefje, waar ze verblijft en wanneer ze hem verwacht. Helaas blijkt het een heel andere vrouw te zijn. Hij begrijpt er niet veel meer van en verlaat gedesillusioneerd Italië. Onderweg ontmoet hij drie Praagse studenten, die als muzikanten hun geld verdienen. Het blijkt dat de vader van een van de studenten de portier is van het slot, waar de T. werkte. Samen met o.a. een soort geestelijke begeven ze zich aan boord van een postboot, die over de Donau naar Wenen zal varen. De geestelijke blijkt een spion van de gravin te zijn, die in Italië naar de bruidegom moest zoeken. Eenmaal "thuis" blijken er een aantal persoonsverwisselingen te zijn geweest, waar de T. deels slachtoffer was. De schilder Guido was in werkelijkheid Flora, de dochter van de gravin, die met een graaf (Leonhard) wilde trouwen maar op de vlucht moesten slaan voor jaloerse belagers. Ze gebruikten de T. als afleider, die in Italië zonder het te weten de rol van Flora speelde. En de jongere adellijke dame blijkt de nicht van de portier te zijn, die de gravin als pleegdochter had aangenomen. Een huwelijk van T. en zijn geliefde kan nu gewoon plaatsvinden.