Jugend ohne Gott / Ödön von Horváth

Roman, 1937, veel korte hoofdstukjes met titels; vaak innere Monologe.

tijd:
speelt zich af in de jaren 30, kort voor de 2e W.O.
plaats:
ergens in Duitsland? / o.a. in Bayern (kamp)
omvang:
ca. 114 blz.
thema: hoe een individu worstelt met het wel of niet de waarheid zeggen en zichzelf trouw blijven ten tijde van het fascistisch groepsdenken

Een 34-jarige leraar aan een gymnasium is ongelukkig in zijn vak: Hij is in staat van oorlog met zijn klas en voelt zich als een roepende in de woestijn. Hij denkt n.l.te positief over negers, nl. dat dat ook mensen zijn. De lln. zijn zelfbewust en rechtlijnig, nationalistisch, en herhalen wat de propaganda hen zegt. De leraar durft niet zich hiertegen te verzetten, het schoolhoofd kiest ook eieren voor zijn geld als bijv. een ouder klaagt, dat de docent een andere mening heeft, dan de staatsmening.

De klas overhandigt hem een brief waarin ze aangeven geen vertrouwen meer in hem te hebben, ze willen een andere leraar. Hij zweert zichzelf wraak te nemen en zich niet te laten wegjagen door juist continue te gaan doen of alleen zij op deze wereld leven en geen negers bijvoorbeeld.

In het cafe drinkt hij teveel en ontmoet Julius Caesar, een ex-collega die nu een merkwaardig leven leidt, maar laat blijken dat er ook nog mensen zijn die niet meelopen met de massa. Hij is bang dat de mensen eindigen als vissen: met dezelfde ongevoelige gelaatsuitdrukking op het gezicht. "da wird die Seele des Menschen unbeweglich, wie das Antlitz eines Fisches."

Eén van zijn leerlingen zal binnenkort sterven, de leraar regelt nog op verzoek van de vader de hartewens: een ontmoeting met de doelman van afgelopen zondag. De hele klas is bij de begrafenis, maar de leraar schrikt van de ongevoeligheid van de jongens.

Sinds drie jaar is de paasvakantie op gezag van boven veranderd in een tentenkamp, een verkapte militaire oefening. De jongens doen dit heel graag. Hij is getuige van grote armoede op het platte land waar ze verblijven. Een blinde oude boerin wordt overvallen voor brood. Hij praat met de locale dominee, die uitlegt waarom de kerk de staat altijd zal steunen, omdat de staat geleid wordt door de rijke mensen, die de dienst uitmaken. Hij worstelt met de vraag of hij nog in god moet geloven of niet. Van een van de kinderen wordt het fototoestel gestolen. Volgens de leraar moeten het dieven van buiten het kamp geweest zijn, ze (de leider v.h. kamp, de oude Feldwebel, en hij) besluiten de jongens die 's nachts wachtdienst hebben te gaan controleren.

's Nachts komt de leraar erachter dat Z. tijdens zijn wacht een brief krijgt van een onbekende jongen, vermoedelijk uit het dorp. Hij komt er achter dat Z. een dagboek schrijft en dit moet verstoppen voor de andere jongens, want die vinden dit onzin. Hij besluit de brief en het dagboek te gaan lezen, op een moment dat Z. er niet is.

Als de klas op schietoefening is maakt hij het slot van het kistje met het dagboek open en leest dat Z. contact heeft gehad met Eva, een meisje en "leider" van een kleine dievenbende uit het dorp. Hij moet snel het kistje op slot doen, maar krijgt dit niet meer voor elkaar. De slotzin echoot na in zijn hoofd: "Jeder, der mein Kästchen anrührt, stirbt.". Z. komt erachter dat iemand zijn kistje opengemaakt heeft en verdenkt N., met wie hij al langer ruzie had. Een dag later wordt N. dood gevonden in het bos door Waldarbeiter. De leraar weet dat hij medeschuldig is. De Gendarmerie komt en onderzoekt de moord. Niemand zegt wat, totdat R. plotseling vertelt, dat N. en Z. ruzie hadden enz. Z. bekent de moord en wordt meegenomen.

De kranten berichten op soms sensationele toon allemaal over de moord. De leraar neemt in een interview de jeugd in bescherming en prijst hun nationale Gesinnung [en verloochent daarmee zich zelf].

Z. bekent nogmaals maar krijgt voor de rechtbank een woordenwisseling met zijn moeder. Ze vertelt dat hij nooit een kompas heeft gehad (dit was een van de gevonden voorwerpen op de plek van de moord) en dat hij dus liegt. Dan vertelt Z. dat zij altijd liegt, o.a. over de dienstmeisjes die ze uitgebuit heeft. Z. heeft het altijd voor hen opgenomen en hij acht ze hoger dan zijn moeder. De leraar wordt ook gehoord en vertelt dat hij het dagboek opende. Dan wordt Eva ondervraagd. Ze vertelt dat Z. onschuldig is. N. duwde hem in een afgrond, waarna een andere onbekende jongen hem te lijf ging en met een steen sloeg. Z. klom zelf uit de afgrond. Z. bevestigt haar lezing. Tenslotte vertelt ze dat ze nooit van hem gehouden heeft en alleen de waarheid vertelt omdat de leraar dat ook deed. De dader heeft van die visogen zegt ze. Dit doet de leraar denken aan een bepaalde leerling, aan T, die hem altijd met zulke ogen glimlachend bespioneert. Van de schoolleiding ontvangt de leraar een brief dat hij gedurende het proces geschorst is. Verder hangt hem een proces wegens medeschuld boven het hoofd.

Het proces gaat na drie maanden verder. De leraar ontmoet T. die zelfverzekerd overkomt. De leraar vraagt of hij denkt dat een vreemde jongen het gedaan heeft. Hij antwoordt dat ze gewoon gelogen heeft om zelf vrijuit te gaan. Hij zegt dat hij geen visogen heeft maar de leraarjuist wel. Toch lijkt het alsof T. zich versproken heeft en stokt heel even. De leraar denkt bij zichzelf dat T. "de haak al in de mond heeft, maar zich bedenkt." De gedachten aan het lot van het meisje, dat waarschijnlijk voor moord veroordeeld zal worden, laten hem niet los.

Op de dag van de verjaardag van de "Oberplebejer" [Hitler dus] heeft ook hij een vlaggetje aan de gevel. Hij constateert dat iedereen meeliegt en meedoet. "Wenn kein Charakter mehr geduldet wird, sondern nur der Gehorsam, geht die Wahhreit, und die Lüge kommt.". Op die dag staat een leerling van hem voor de deur, het is B. Hij vertelt dat T. het kompas verloren heeft. T. had zijn kompas kort na de moord namelijk overal gezocht. T. vond N. altijd erg dom en was zelf erg nieuwsgierig. Hij had ook een keer gezegd dat hij bij een geboorte wilde zijn en wilde zien hoe iemand sterft. Het blijkt dat B. slechts onder dwang de brief van de klas tegen de leraar ondertekende. Samen met nog een paar jongens hebben ze een club opgericht, die in het geheim wekelijks bijeenkomt en alles leest wat verboden is. B. is naar de leraar toegekomen omdat hij weet, dat de leraar "die Wahrheit liebt". Ze gaan vervolgens samen naar de ständige Untersuchungsrichter, maar het relaas van B. wordt niet gehonoreerd: Het kompas is gestolen van de burgemeester, zo is gebleken en daar blijft het bij. Ze zijn teleurgesteld; B. belooft dat zijn club T. nadrukkelijk in de gaten zal houden om hem uiteindelijk te kunnen pakken. Allebei hebben ze medelijden met het meisje.

De leraar ontvangt een brief, waarin zijn ouders blijk geven van hun ontzetting. Het verhaal met het dagboek had hij toch niet hoeven vertellen? En bovendien onderhoudt hij van zijn geld ook zijn ouders. Hij antwoordt, dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. In het café krijgt hij alle respect van Julius Caesar, omdat hij de waarheid vertelde.

De dominee van het dorpje waar het kamp plaatsvond komt op bezoek. Hij uit zijn bewondering voor hem en biedt hem een baan aan als leraar-missionaris in Afrika. De leraar gaat accoord, maar eerst moet het meisje vrijkomen, vindt hij. De dominee vindt, dat hij naar de moeder van de dader moet gaan, want "de moeder moet alles horen". De moeder van T. woont in een paleis van een villa incl. huispersoneel. Ze geeft door geen tijd te hebben, de leraar gaat weer.

De leraar ontvangt informatie over T. van "de club". Hij is gezien met een vrouw. Het blijkt om ene Nelly te gaan, waarschijnlijk een hoer. Ze vertelt dat ze hem afstotend vond, ook omdat hij altijd maar aan het observeren was. Maar omdat ze er iemand een plezier mee doet (ze zegt niet wie), moet ze nog een keer gaan doen alsof ze verliefd op T. is. Want diegene "wil een vis vangen.". Thuisgekomen zit Julius Caesar op hem te wachten. Hij zegt dat de vis elk ogenblik kan bijten. Hij wil de leraar een plezier doen nadat hij merkte dat hij zo'n moeite had met het lot van het meisje. Hij heeft met o.a. Nelly een val bedacht, waardoor T. de moord wellicht zou willen herhalen. Helaas komt T. niet opdagen vanavond. Caeser vertelt hem dat hij ook aan de vermoorde N. denkt, sindsdien laten hem (de leraar) de gedachten aan N. niet meer los, vooral ook toen N. de leraar om hulp vroeg toen hij vertelde het dagboek niet gelezen te hebben en bang was voor de wraak van Z.

's Nachts wordt hij opgehaald door de recherche en naar de luxe villa van de moeder van T. gebracht. T. heeft zich opgehangen en er is een briefje gevonden: "De leraar heeft mij de dood in gejaagd.". Maar de moeder gooit uiteindelijk het andere stuk van het gescheurde papier op de grond, waarin staat "omdat hij weet dat ik N. met een steen heb vermoord.".

De leraar vertrekt naar Afrika; slotzin: "Der Neger fährt zu den Negern."