Taal is altijd in beweging. Er ontstaan nieuwe woorden, grammaticale
regels passen zich aan en de uitspraak van klanken verandert. De wereld
wordt door de nieuwe informatie- en communicatietechnologie steeds
kleiner. Talen beïnvloeden elkaar daardoor steeds intensiever.
Het grote aantal Franse, Engelse en ook Duitse woorden dat in het
Nederlands voorkomt, is daar een eenvoudig bewijs van. Handel en
handelswegen, de boekdrukkunst en ander moderne uitvindingen zijn van
grote invloed op de taal die mensen spreken.
De boekdrukkunst zorgde voor een snellere verspreiding van geschreven taal
en de wens naar eenheid in de spelling.
In deze ontwikkeling zijn de volgende stadia van groot
belang geweest:
De boekdrukkunst (rond 1500) - zorgde voor een
snellere verspreiding van geschreven taal en de wens naar eenheid in
de spelling.
Radio en televisie (rond 1920) - zorgen voor een
groter bereik van het gesproken woord. De dominante spreekwijze via
deze media heeft een standaardiserende werking op de uitspraak in het
betreffende taalgebied.
SMS (rond 2000) - deze techniek met de kleine
displays en het typwerk op kleine toetsjes brengt het ontstaan van
vele nieuwe afkortingen met zich mee.
Indogermaanse talen - klik op het plaatje voor een vergroting
Taal is in de eerste plaats gesproken taal, een auditief
medium voor communicatie. Een vergelijking van klanken, vormen,
woordenschat en grammaticale structuren wijst op soms grote
overeenkomsten tussen talen, die toch in zeer uiteenlopende gebieden
gesproken worden. Zo kunnen talen worden ingedeeld in taalfamilies.
Bijna alle talen die op dit moment in Europa gesproken worden, rekent
men tot de Indo-europese of Indogermaanse taalfamilie. Of er ook echt
een Indo-europees 'oervolk' geleefd heeft, is niet met zekerheid vast te
stellen. Misschien was er slechts sprake van een los stammenverband van
verschillende volken, die 3000 jaar voor Christus tussen de Noordzee en
de Kaspische zee geleefd hebben. Dat de daar gesproken talen
verwantschap vertonen, is wel zeker.
Binnen deze grote taalfamilie zijn
weer groepen aan te wijzen, die onderling nauw met elkaar verwant zijn.
Het Duits, Nederlands, Engels bijvoorbeeld - de Westgermaanse taalgroep
- en de Scandinavische talen - de Noordgermaanse taalgroep - worden op
grond van hun onderlinge overeenkomsten gerekend tot dezelfde Germaanse
tak.
De eerste of
Germaanse klankverschuiving
In een proces tussen 2000 en 500 voor Christus heeft het Germaans zich
waarschijnlijk langzamerhand losgemaakt uit het Indogermaans door de
zogenaamde eerste of Germaanse klankverschuiving (Erste of
Germanische Lautverschiebung). Sommige klanken werden anders
uitgesproken en de klemtoon verschoof naar de eerste lettergreep.
De verschuiving van klanken is door de Germanist Jacob
Grimm in de negentiende eeuw voor het eerst beschreven en wordt daarom
ook wel de 'Wet van Grimm', das Grimmsche Gesetz genoemd. Grimm
(en zijn broer Wilhelm) kennen wij vooral als verzamelaar van sprookjes,
maar hij was ook een belangrijke grondlegger van de studie van de Duitse
taal- en letterkunde, de Germanistik.
Jacob
Grimm
De volgende
klankverschuivingen traden op:
Indo-Europees
Germaans
p
> f
t
> th (+/- de Engelse [th] in brother]
k
> x/h
b
> p
d
> t
g
> k
Latijn
Duits
Nederlands
Engels
pater
Vater
vader
father
piscis
Fisch
vis
fisch
tres
drei
drie
three
tonitrus
Donner
donder
thunder
iste
der/die
de
the
canis
Hund
hond
hound
cornu
Horn
hoorn
horn
centum
Hunderd
honderd
hundred
labium
Lippe
lip
Kardia (Grieks)
Herz
hart
heart
genu
Knie
knie
knee
Uit het Germaans zijn de volgende overeenkomsten tussen
de huidige talen in Noord- en Noordwest-Europa afkomstig:
1 Gemeenschappelijke woordenschat:
Duits
Vater
Wort
bringen
Nederlands
vader
woord
brengen
Engels
father
word
bring
Zweeds
fader
ord
bringa
2 De klinkerverandering van sterke werkwoorden zoals
in:
Duits
trinken
trank
getrunken
Nederlands
drinken
dronk
gedronken
Engels
drink
drank
drunk
Zweeds
dricka
drack
drucken
3 Achtervoegsels om woorden mee te maken:
Duits
-schaft
Freundschaft
Nederlands
-schap
vriendschap
Engels
-ship
friendship
Zweeds
-skap
vänskap
Noord- en Westgermaans
Men neemt aan dat er in de eerste eeuwen na Christus
duidelijke verschillen gingen optreden tussen de talen in de
Scandinavische gebieden en het gebied dat nu ongeveer samenvalt met
Duitsland, Nederland, Friesland en Engeland. Daarom spreekt men van de
Noordgermaanse taalfamilie in Skandinavië en van het Westgermaans in
onze streken.
Ook de Westgermaanse talen ontwikkelden zich in de loop
der eeuwen tot zelfstandige talen, waarvan het Duits er één was. Met
name de tweede klankverschuiving, die zweite Lautverschiebung,
die het 'Hoogduits' kenmerkt, is voor het ontstaan van het Duits als
zelfstandige taal erg belangrijk.
De ontwikkeling van het Duits
In de ontwikkeling van het Duits
onderscheidt men vier fases:
Oudhoogduits
Althochdeutsch
ca. 750 - 1050
Middelhoogduits
Mittelhochdeutsch
ca. 1050 - 1350
Vroegnieuwhoogduits
Frühneuhochdeutsch
ca. 1350 - 1650
Nieuwhoogduits
Neuhochdeutsch
ca. 1650 - heden
De begrippen 'oud, middel en nieuw' verwijzen naar een
bepaalde tijd in de geschiedenis, terwijl het begrip 'hoog' op de plaats
duidt en een geografische betekenis heeft. Met 'hoog' worden de meer
zuidelijke gebieden in het Duitse taalgebied bedoeld.
Onder invloed van de geestelijkheid: het Oudhoogduits
Men veronderstelt dat vanaf 500 n. Chr. in het
Westgermaanse taalgebied, vanuit het zuiden, een verandering van klanken
begon. Later heeft men die klankverschuiving Tweede of Hoogduitse
klankverschuiving (zweite of Hochdeutsche Lautverschiebung)
genoemd.
De volgende verschuivingen traden op:
Westgermaans
Oudhoogduits
p
> pf
t
> z (uitgesproken als [ts])
k
> k (uitgesproken als [kch]; komt alleen in het zuidwesten, +/-
Zwitserland voor)
Vooral in het Alpengebied en in
Zuid-Duitsland heeft zich deze klankverschuiving doorgezet.
Niedersachsen, Friesland en Nederland zijn hierin niet meegegaan. De
klankverschuivingen hebben zich doorgezet tot ongeveer de lijn
Düsseldorf-Benrath. Men spreekt daarom van de Benrather Linie. Als je op
het kaartje hierboven kijkt, zie je dat evenals het Nederduits ook het Nederlands
en het Engels deze klankverschuiving niet hebben doorgemaakt. Dat levert
de volgende uitspraakverschillen op in vele verwante woorden:
Duits
Nederlands
Engels
Apfel
appel
apple
Pfund
pond
pound
Zahn
tand
tooth
Herz
hart
heart
Korn [Zwitsers: [Kchorn]
koren
corn
In het Duitse
taalgebied ten noorden van de Benrather Linie spreekt men van Nederduits
(Niederdeutsch). De dialecten ten zuiden van de Benrather Linie vat men
samen in het begrip Hoogduits (Hochdeutsch). In vergelijking met de
eerste klankverschuiving, waardoor de Germaanse taalgroep binnen de
Indo-Europese herkenbaar werd, heeft de tweede klankverschuiving de
eenheid binnen de Germaanse taalfamilie in het gebied tussen Alpen en de
zee in elk geval niet vergroot.
Het woord Duits
Het woord 'Duits' (Engels: Dutch!) is afgeleid van het Latijnse
woord theodisk dat 'taal van het volk' betekent. Het volk was
ongeletterd en alleen de geestelijkheid kon lezen en schrijven. Zij
deden dat veelal in het Latijn. Toch zijn sommige Latijnse teksten in
het Duits van hun tijd vertaald of werden mondeling overgeleverde
verhalen in het Oudhoogduits door monniken op schrift gesteld.
Het was
vooral keizer Karel de Grote (748 - 814) die ervoor zorgde dat de
volkstaal ook werd opgeschreven. Hij stimuleerde de kunsten en de
wetenschappen, vooral om het heidense volk te kerstenen (= tot christen
te maken). Daarvoor liet hij religieuze teksten in de volkstaal
vertalen. Helaas zijn veel van die teksten verloren gegaan.
Karel de Grote
Abrogans. Klik op het plaatje voor een vergroting.
Abrogans
Het eerste bekende grotere werk in het Oudhoogduits is een Latijns
synoniemenwoordenboek dat rond 770, waarschijnlijk in een klooster bij
Freising in de buurt van München, in de volkstaal werd
vertaald. Het geschrift wordt Abrogans genoemd naar het eerste
Latijnse woord van dat woordenboek.
Karakteristiek voor het Oudhoogduits zijn de volle klinkers (a, ô en u)
ten opzichte van de 'stomme e' in het hedendaagse Duits zoals deze
vergelijking toont:
Oudhoogduits
Hedendaags Duits
machôn
machen
taga
Tage
demu
dem
perga
Berge
Merseburger Zaubersprüche
Bekende overleveringen in het Oudhoogduits
zijn de Merseburger Zaubersprüche (de toverspreuken van Merseburg) en
het heldendicht Hildebrandslied. Deze in mondelinge traditie
overgeleverde teksten werden in de negende eeuw door monniken in het
Oudhoogduits opgeschreven en zo voor het nageslacht bewaard.
Klik hier voor een voorbeeld hoe het Oudhoogduits
ongeveer geklonken zou kunnen hebben.
Vaak werden de ridderromans voorzien van beeld, zoals
hier uit een uitgave van ‘Parzival’.
Onder invloed van de hofcultuur: het Middelhoogduits
Na 1050 zijn steeds meer schriftelijke bronnen in het
Duits van die tijd bewaard gebleven. Allereerst was daarvoor de
geestelijkheid verantwoordelijk. In haar poging om het volk te bereiken
werden meer en meer volksverhalen en legendes in de taal van het volk,
het Duits, geschreven.
De mystieke beweging, die rond 1300 ontstaat, verrijkt
de taal met een groot aantal nieuwe abstracte begrippen die te herkennen
zijn aan woorden die veelal eindigen op -lich, -keit en -ung:
wesentlich, Geistigkeit en Anschauung zijn hier
voorbeelden van.
De belangrijkste verandering is echter
de invloed van de niet-geestelijke hofcultuur. In de Middeleeuwen van
rond 1200 zijn de ridders de dominante stand en hun heldendaden werden
steeds vaker in wereldse ridderromans en verzen beschreven.
Al deze tekstbronnen verschillen van het Oudhoogduits
door vereenvoudigingen in de verbuigingen van zelfstandige naamwoorden
en de vervoegingen van werkwoorden. Waren bijvoorbeeld naamvallen in het
Oudhoogduits net als in het Latijn aan uitgangen achter zelfstandige
naamwoorden te herkennen, in het Middelhoogduits werd die functie
overgenomen door lidwoorden.
Ook werd het aantal naamvallen beperkt tot vier en werd
veel wat voordien door een aparte naamval werd uitgedrukt, nu met een
voorzetsel omschreven. Een eigen naamval voor bijvoorbeeld de
Instrumentalis – daarmee kon omschreven worden waarmee je iets deed,
in het Latijn de Ablativus Instrumentalis - kwam in het
Oudhoogduits al amper meer voor en is in het Middelhoogduits helemaal
verdwenen. Het werd nu met het voorzetsel mit omschreven: Oudhoogduits
dinu speru > Middelhoogduits mit dînem Spere.
Bij het
werkwoord leidde de vereenvoudiging van het verbuigingssysteem tot een
groter belang van het persoonlijk voornaamwoord. Daarnaast verschoof een
aantal klanken. Door al deze veranderingen spreekt men van het
Middelhoogduits, het Mittelhochdeutsch.
De belangrijke klankveranderingen:
Oudhoogduits
Middelhoogduits
Hedendaags Duits
1 Afzwakking van volle klinkers
gilaubiu
ich geloube
ich gelobe
erda
erde
Erde
2 Samentrekking
ze ware > zwar
zwar
in deme > im
im
3 sk > sch
sculdi
schuld
Schuld
scepphion
schephaer
Schöpfer
4 Eindklankverharding
dagaz
tac/des tages
Tag / des Tages
Klik hier voor een voorbeeld hoe het
Middelhoogduits
ongeveer geklonken zou kunnen hebben.
Onder invloed van stad en universiteit:
Vroegnieuwhoogduits
Men spreekt van het Vroegnieuwhoogduits (Frühneuhochdeutsch) in
de periode tussen 1350 en 1650. Gilden en Hanzesteden, de stichting van
universiteiten, de uitvinding van de boekdrukkunst en de Reformatie zijn
van grote invloed in deze periode.
Met name de bijbelvertaling van Martin Luther is het bekendste werk uit deze tijd. De volledige bijbelvertaling
stamt uit 1545. Luther baseerde zich voor de keuze van zijn Duits vooral
op het dialect uit zijn streek, het gebied rond Eisenach-Erfurt,
in het oosten van Duitsland.
Vooral tweeklanken (diftong) en klinkers ondergingen belangrijke
wijzigingen:
1 Nieuwhoogduitse diftongering
2 Nieuwhoogduitse monoftongering
3 Klinkerverlenging
Hieronder volgt een overzicht van deze ontwikkelingen.
1 Nieuwhoogduitse diftongering
Middelhoogduits
Vroegnieuwhoogduits
lange i > ei
mîn
mein
lange u > eu
niuwes
neu
lange oe > au
hûs
haus
Bovenstaande klankverandering noemt men de 'Nieuwhoogduitse
diftongering' (Neuhochdeutsche Diphtongierung). Een diftong (Diphtong)
is een tweeklank. Voor Nederlanders is dit allemaal niet zo ingewikkeld
als het lijkt, zeker niet als je uit het oosten van Nederland komt. In
de Saksische dialecten van het Nederlands, zoals het Drents en het
Twents, zijn deze 'middelhoogduitse monoftongen (enkele klinkers)' nog
goed te horen. Dit geldt overigens ook voor het Plattdüütsch in het
noorden van Duitsland.
Un so steiht dat Thermometer upstunns: in Braak un Achem bi söben, an'n
bremschen Fleegerhaben bi acht un an de Fiskereehabenslüüs in
Bremerhaben bi negen Grod. Hüüt wesselt Sünn un Wulken. An'n Nahmiddag
kann dat vör allen in'n Süden vun Bremen hen un wenn regen. Daarüm
rekent se an'n Nahmiddag ok to veertig Perzent mit Regen. Bi sowat
föffteihn Grod weiht de Wind ut Süd bit Südost. Un he nimmt Fahrt upo:
tegen Abend kann dat an de Küst brusige Böjen geven. Tokamen Nacht sackt
dat Thermometer up ölben Grod. Morrn wesselt weer Sünn un Wulken,
sünnerlick an de Küst schuert dat verenkelt. Bi föffteihn Grod weiht de
Wind stiev ut Südwest.
Dat weern de Nahrichten. Severino Melchiorre hett se tohoopstellt. Up
Platt trechtmaakt un vörleest hett se Gesine Reichstein.
Luister hier naar twee voorbeelden. De tekst zie je
links.
Drenthe is ook één van de provincies waar een eigen taal gesproken en
geschreven wordt. De Drentse taal maakt deel uit van de Nedersaksiche
talen. Veel schrijvers in Drenthe maken gebruik van de Drentse taal om
hun werk te publiceren. Uit het grote aanbod van zowel Drentstalige- als
Nederlandstalige poëzie zijn voor deze bundel twintig gedichten
geselecteerd die op een of andere manier betrekking hebben op Drenthe.
Een andere verandering was juist dat bepaalde tweeklanken in enkele
klinkers veranderden, de Nieuwhoogduitse monoftongering (Neuhochdeutsche
Monophtongierung).
Middelhoogduits
Vroegnieuwhoogduits
tweeklank ie > i
liebe
liebe
tweeklank uo > u
guote
gute
tweeklank üe > ü
brüeder
Brüder
3 Klinkerverlenging
Middelhoogduits
Vroegnieuwhoogduits
faren (korte a)
fahren
nemen (korte e)
nehmen
vogel (korte o)
Vogel (lange o)
kugel (korte u)
Kugel (lange u)
Ich hab mich des beflissen im Dolmetschen, daß ich rein und klar Deutsch
geben möchte. Und ist uns sehr oft begegnet, daß wir vierzehn Tage, drei,
vier Wochen haben ein einziges Wort gesucht und gefragt, haben's dennoch
zuweilen nicht gefunden. Im Hiob arbeiteten wir also, Magister Philips,
Aurogallus und ich, daß wir in vier Tagen zuweilen kaum drei Zeilen
konnten fertigen. Lieber – nun es verdeutscht und bereit ist, kann's ein
jeder lesen und meistern. Es läuft jetzt einer mit den Augen durch drei,
vier Blätter und stößt nicht einmal an, wird aber nicht gewahr, welche
Wacken und Klötze da gelegen sind, wo er jetzt drüber hingehet wie über
ein gehobelt Brett, wo wir haben müssen schwitzen und uns ängsten, ehe
denn wir solche Wacken gunt Klötze aus dem Wege räumeten, auf daß man
könnte so fein dahergehen. Es ist gut pflügen, wenn der Acker gereinigt
ist. Aber den Wald und die Stubben ausroden und den Acker zurichten, da
will niemand heran. Es ist bei der Welt kein Dank zu verdienen, kann
doch Gott selbst mit der Sonnen, ja, mit Himmel und Erden noch mit
seines eigen Sohns Tod keinen Dank verdienen, sie sei und bleibt Welt –
in des Teufels Namen, weil sie ja nicht anders will.
Martin Luther
Voorbeeld: Sendbrief vom Dolmetschen
Luister hier naar een
voorbeeld van hoe het Vroegnieuwhoogduits geklonken zou kunnen hebben.
De tekst stamt uit Martin Luthers Sendbrief vom Dolmetschen waarin hij
spreekt over de problemen die je als vertaler hebt bij je woordkeuze.
Let daarbij vooral op de woordvolgorde in de zin. Hoewel in het Vroegnieuwhoogduits een ontwikkeling begon naar een vaste woordvolgorde
in de zin - in de hoofdzin: persoonsvorm op de tweede plaats; in de
bijzin: persoonsvorm aan het eind van de zin - hoor je in dit fragment
dat dit veranderingsproces nog niet helemaal afgesloten is. De
woordvolgorde in de zin wijkt nog wel eens af van de huidige volgorde.
Onder invloed van wetenschap, techniek en media:
Nieuwhoogduits
Het Duits dat je op school leert, noemen we het
Nieuwhoogduits of gewoon modern Duits. We spreken van het Nieuwhoogduits
vanaf ongeveer 1650. Klankveranderingen hebben sindsdien nauwelijks meer
plaats gevonden. In de woordenschat zijn de veranderingen echter nog
nooit zo groot geweest. Dit is ook goed te begrijpen als je nagaat hoe
sterk de wetenschap, met zijn vele vakuitdrukkingen (jargon), de
techniek met nieuwe uitvindingen en de massamedia zich vanaf de
zeventiende eeuw hebben ontwikkeld. Zo is er is in de afgelopen vier
eeuwen nog heel wat veranderd. Uit de discussies over de nieuwe spelling
en uit de vele drukken van nieuwe woordenboeken blijkt natuurlijk ook
dat taal nog steeds verandert. Enkele voorbeelden van veranderingen:
Techniek en sport zorgen voor nieuwe woorden: Elektrizität,
Telegraphie; Freistoß, Halbzeit, verbotener Boxschlag, unterhalb der
Gürtellinie.
De wetenschap vraagt om bijzondere uitdrukkingen en woorden:
Problem,
Ebene, Sektor.
Het Amerikaans en het Engels winnen op velerlei gebied aan invloed:
mailen, Jeans, Business, Teamwork, Handy, Foul.
Het gebruik van afkortingen neemt toe Aküsprache (Abkürzungssprache):
UNO (United Nations Organization), GAU (größter anzunehmender Unfall);
Alki (Alkoholiker).
De grammatica ondergaat zeker een vereenvoudiging. Het gebruik van de
genitief (tweede naamval) wordt bijvoorbeeld steeds meer verdrongen door
de datief of door constructies met voorzetsels (des Mannes > von dem
Mann). De conjunctivus wordt tegenwoordig veelal gevormd met vormen van
'würden': Ich ginge nicht, wenn ich du wäre >Ich würde nicht gehen, wenn
ich du wäre.
Of hier sprake is van een verrijking of van een verarming van de taal
laten we in het midden. Passief lijkt de woordenschat zich in elk geval
uit te breiden, maar actief neemt hij misschien af.
Overzicht van de Duitse dialecten. Klik op het plaatje voor een vergroting.
Dialecten
Zoals we in het Nederlands het ABN (Algemeen beschaafd
Nederlands) kennen, dat naar men zegt het zuiverste in de omgeving van
Haarlem gesproken wordt, zo kent het Duits het Hoogduits (Hochdeutsch)
uit de omgeving van Hannover.
Het gebruik van dialecten is echter in het Duits
wijdverbreid en loopt door alle lagen van de bevolking.
Misschien heb je je wel eens afgevraagd waar de e/i-Wechsel
uit ich helfe - du hilfst – er/sie/es hilft vandaan komt. Of de
a-Umlaut uit ich fahre – du fährst – er/sie/es fährt. Dat zijn
ontwikkelingen geweest die zich al vroeg ten tijde van het
Westgermaans en het Oudhoogduits voltrokken. Deze veranderingen zijn
terug te voeren op uitgangen met een -i- of een –j-. Die uitgangen
hadden invloed op de klinkers in de stam van een woord. Vergelijk de
volgende voorbeelden maar eens:
Oudhoogduits
Nieuwhoogduits
helfan - (er) hilfit helfen - er hilft
faran - (er) ferit fahren - er fährt
Men duidt de
verandering van de e/i-Wechsel aan met de term Westgermanischer
i-Umlaut. Deze verandering onder invloed van een volgende –i- of –j-
heeft zich namelijk ook in het Engels (tooth – teeth) en in het
Zweeds (tand – tänder) voorgedaan.
De a-Umlaut is van
latere datum. Deze stamt uit het begin van het Oudhoogduits en wordt
aangeduid met de term Primärumlaut. Niet alleen bij sterke
werkwoorden met een –a- in de stam, maar ook bij de Steigerung van
bijvoeglijke naamwoorden (alt – älter – ältest) en bij de
meervoudsvorming van veel zelfstandige naamwoorden (Gast – Gäste,
Lamm – Lämmer) zie je dit fenomeen.
Verdiepende links
Klik hier voor verdere verdieping in de taalgeschiedenis van het
Duits. Deze Duitse site biedt een schat aan informatie, aansprekend
beeld- en geluidsmateriaal.
Boek Bij
deze website hoort een boek. Boek en website vullen elkaar volledig aan,
maar kunnen ook los van elkaar gebruikt worden.
Meer informatie en bestellen.