geschiedenis van de Duitse vlag
Uit de tijd van de eerste nationale bewegingen stamt de Duitse vlag, zoals we
die nu kennen. Het oude Duitse Rijk (tot 1806) kende geen vlag, hooguit de kleuren
van het keizerlijke wapen: een dubbele adelaar op een gele achtergrond, geel en zwart dus.
In 1818 - bij de oprichting van een studentenbeweging, die zich voor de nationale eenheid
wilde inzetten - wilde men weer een dergelijke vlag, maar door een vergissing meende men
dat de kleuren zwart-rood-goud geweest waren. Sindsdien voerden de nationale bewegingen
deze vlag, ook al werd hij verboden.
Bij de oprichting van het tweede Duitse keizerrijk ten tijde van Bismarck (1870/71) bepaalde hij dat zwart-wit-rood als de nationale vlag zou gelden. Het zwart-wit van Pruissen en het rood van de Hanzesteden waren de reden voor deze kleuren.
De regering van de Weimarer Republik besloot in 1919 een kompromis te sluiten: De rijkskleuren waren zwart-rood-goud, de handelsvlag zwart-wit-rood met de rijkskleuren in een hoek.
In maart 1933 schaften de Nazis deze regeling weer af. Zwart-wit-rood werden weer de nationale kleuren; de nationale vlag werd de rode vlag met het hakenkruis.
Na de
Tweede Wereldoorlog voerden zowel West- als Oostduitsland de zwart-rood-goud-vlag weer
in, maar vanaf 1959 kende de DDR-vlag in het midden het symbool van een hamer en een
passer in een korenkrans.