|
|
|
GrondwetDe grondwet voor het nieuwe Duitsland bevat in veel opzichten lessen uit het falen van de republiek van Weimar:
Volgens de nieuwe grondwet is Duitsland een democratische, federale en sociale rechtsstaat. In de eerste 19 artikelen werden de grondrechten vastgelegd. Het federale karakter van de grondwet sluit aan bij de Duitse historische traditie van regionaal bestuur. De Duitse vlag wordt (weer) zwart-rood-goud en herinnert daarmee aan de vrijheidsbewegingen uit de 19e eeuw. Als hoofdstad wordt Bonn gekozen. Voorafgaand aan de eigenlijke tekst van de grondwet stond een inleidende "Präambel". In de preambule stond vermeld dat deze wetgeving - in afwachting van de Duitse eenwording - voor een "overgangstijd" gemaakt was. De "Verfassungsväter" [de vaders van de wetgeving] kozen dan ook voor het woord "Grundgesetz" en niet het definitiever klinkende "Verfassung". De status van Berlijn bleef een verhaal apart: Hoewel politiek, economisch, financieel, juridisch enz. nauw aan West-Duitsland verbonden maakte West-Berlijn geen deel uit van de Bondsrepubliek Duitsland. Vertegenwoordigers van Berlijn waren wel in het West-Duitse parlement, de Bondsdag, afgevaardigd maar hadden geen stemrecht. StaatsbestelHet staatsbestel van de Bondsrepubliek bestaat uit het parlement (de Bondsdag) van ca. 500 volksvertegenwoordigers dat door een gemengd vertegenwoordigings- en persoonlijk kiesrecht een maal per vier jaar gekozen wordt. Daarnaast vinden er gemeenteverkiezingen plaats en wordt eveneens een maal per vier jaar gekozen voor het Bundesland, waarin de burger woont. De afvaardigingen van elk Bundesland vormen samen de eerste kamer van het parlement, de Bundesrat, dat de voorgestelde wetten moet goedkeuren. De Bundesversammlung, oftewel de complete Bundestag en Bundesrat, kiest de Bondspresident voor een ambtstermijn van vijf jaar. De Bondspresident zelf fungeert formeel als staatshoofd en benoemt de rechters van het Bundesverfassungsgericht, de ministers en de bondskanselier. VerkiezingenTijdens de eerste verkiezingen kregen de christen-democraten (CDU) onder leiding van Konrad Adenauer 139 zetels, de sociaal-democraten (SPD) onder leiding van Kurt Schumacher 131. Adenauer werd tot de eerste bondskanselier gekozen en zou in vier kabinetsperiodes tot 1963 regeren. Bondspresident werd Theodor Heuss. Telkens waren Adenauers coalitiegenoten de christelijke partij uit Beieren, de CSU; de liberale FDP en de Deutsche Partei, een kleinere rechtse partij.
|
Westbinding en herbewapeningAanvankelijk was de soevereiniteit van de kersverse Bondsrepubliek beperkt tot het bezettingsstatuut: De geallieerden behielden zich op veel gebieden het recht voor zelf te beslissen. Een belangrijk streven van Adenauer was daarom de "West-Bindung": West-Duitsland moest een belangrijke, betrouwbare en onmisbare partner voor de westelijke geallieerden en in West-Europa worden. Alleen op grond van het daarmee gewonnen vertrouwen zouden de geallieerden de Duitse regering een grotere handelingsvrijheid geven. Anderzijds hadden ook de westelijke geallieerden tegen de achtergrond van de Koude oorlog veel baat bij een sterk en loyaal West-Duitsland om het communisme in te dammen. In 1950 werd West-Duitsland lid van de Europaraad, een voorganger van de Europese Unie. In 1955 werd het lid van de NAVO. Het bezettingsstatuut werd nu vervangen door stationeringstroepen, waarover vaste afspraken gemaakt werden. Vooral binnen de oppositie was de beslissing om lid te worden van de NAVO en daarmee tot herbewapening over te gaan zeer omstreden. Van Duitse bodem mocht nooit meer een oorlog uitgaan, meenden velen. Dat Duitsland tien jaar na de val van het Naziregime weer over troepen beschikte stuitte op heftige weerstand. 'Wirtschaftswunder'Duitsland kwam er in economisch opzicht zeer snel weer bovenop, hetgeen door velen als een "Wirtschaftswunder" [economisch wonder] werd gezien. Symbool van de economische opleving was de minister van economie Ludwig Erhard. Gunstige factoren hiervoor waren:
De levensstandaard steeg aanzienlijk en aan het begin van de jaren '50 was de werkeloosheid vrijwel opgelost. |
|
|
|
Verzoening met FrankrijkMet zijn politiek van west-integratie streefde Adenauer ook naar een verzoening met 'aartsrivaal' Frankrijk. Dat had in 1946 het Saarland politiek en economisch losgekoppeld van zijn bezettingszone en aan Frankrijk verbonden. Tijdens een referendum in 1955 koos de bevolking van het Saarland tegen het voorstel om het gebied onder een Europees statuut te plaatsen. In 1957 werd het Saarland officieel een Bundesland van West-Duitsland. |
vervolg: Oost-Duitsland tot 1961|
vorige pagina
| inhoud |