|
|
| Volgens de nieuwe grondwet was Duitsland een parlementaire democratie met als staatsvorm een republiek. Aan het hoofd stond een door het volk gekozen rijkspresident. Het parlement bestond uit de Rijksdag (door het volk gekozen) en de Rijksraad (door vertegenwoordigers van de provincies gekozen). Voor het eerst mochten ook vrouwen stemmen. De Rijksdag beschikte - anders dan tijdens het keizerrijk - over werkelijke macht: het keurde wetsvoorstellen goed en kon de regering ten val brengen. De Rijkspresident benoemde de Rijkskanselier. Ook was hij opperbevelhebber van het leger en kon hij de Rijksdag ontbinden. In noodgevallen kon de Rijkspresident door middel van een noodverordening grotendeels onafhankelijk van het parlement regeren. Later zou blijken dat dit een gevaarlijk punt van de grondwet was.
|
|
vorige pagina
| inhoud |