|
|
| Bij zijn aantreden in 1888 bleek de jonge keizer Wilhelm II. meer
begrip te hebben voor de modernisering van de industriële staat, die Duitsland
geworden was. Maar net als in zijn buitenlandse politiek bleek de "nieuwe
koers" ook hier vooral uit de vaak willekeurige overtuigingen van de keizer
te bestaan, die even snel veranderden als dat ze tot stand kwamen. Wat de
binnenlandse politiek betreft voelde Wilhelm II. - net zo min als Bismarck -
niets voor
democratische vernieuwingen en meer invloed van burgers of arbeiders. Toch kwam - mede onder druk van de arbeidersbeweging - onder zijn bewind een voor die tijd vrij moderne sociale wetgeving tot stand, die bijv. kinder- en vrouwenarbeid beperkte en de rechten van de arbeiders enigszins verbeterde. Wilhelm wilde nadrukkelijk ook een keizer van het volk zijn en stond erom bekend dat hij graag een praatje maakte met de bevolking en dan een luisterend oor voor problemen had. Maar toen bleek dat ondanks allerlei toegevingen in de Rijksdag de arbeiders massaal op de sociaal-democraten stemden, beschouwde hij hen als verraders. Pas toen tijdens de eerste wereldoorlog de Rijksdag verdere concessies eiste om in te stemmen met grote staatsleningen om de oorlogvoering te financieren, stemde hij in met een verandering van het kiesstelstel in Pruisen, dat tot dan toe op bijna middeleeuwse wijze de elitaire aristocratie in stand hield.
|
|
vorige pagina
| inhoud |