menu

 

 

Duitsland tijdens Wilhelm II. 

Deze periode in de Duitse geschiedenis wordt ook wel de "Wilhelminische Ära" [Ära = tijdperk] genoemd, naar de laatste Duitse keizer, Wilhelm II. Duitsland wordt een succesvolle industrienatie en streeft naar een nieuwe, zelfbewuste identiteit. Ondertussen blijft het bestuurd door een elitair aristocratisch bewind. Onder leiding van Wilhelm II. raakt Duitsland in een internationaal isolement en uiteindelijk in oorlog. De Eerste Wereldoorlog is het einde van het 'glorieuze' keizerrijk.



Duitse rijk 1871

Europese kolonies

staatsinrichting
keizerrijk

Weltmachtpolitik

Omdat Wilhelm II. het verdrag met Rusland, dat in 1890 uitliep, niet verlengde en met zijn tactloos en onhandig optreden regelmatig kansen liet liggen en buitenlandse regeringen al of niet bedoeld schoffeerde, kwam Duitsland in Europa steeds meer in een politiek isolement te liggen. Aan de vooravond van de eerste wereldoorlog in 1918 was het "omsingeld" door landen die door verdragen elkaar militair beschermden.  

Niet alleen de keizer maar ook veel tijdgenoten vonden dat het grote en economisch sterke Duitsland ook recht had op "een plaatsje onder de zon". Onder grote delen van de bevolking groeide het idee, dat een groot land zonder kolonies geen toekomst kon hebben. Het grote voorbeeld was Engeland, dat als wereldmogendheid veel handel met zijn kolonies dreef en daaruit belangrijke inkomsten kreeg.

 


Ook op de bankbiljetten heerste de tijdgeest. Op dit 100 Reichsmarkbiljet van 1910 wordt de Godin Germania samen met marineschepen in beeld gebracht. De gereedschappen links onder verwijzen naar de bouw van de vloot.
[klik op de afbeelding voor een vergroting]

Door middel van omvangrijke vlootprogramma's werd de Duitse marine - lieveling van de keizer - sterk uitgebreid en op de valreep verwierf Duitsland enkele kolonies in Afrika en in de Stille Oceaan. 

Duitsland kwam hierdoor in conflict met de wereldmogendheid Engeland, dat zich bedreigd begon te voelen. Een grote Duitse oorlogsvloot was immers feitelijk overbodig om Duitsland - dat maar voor een klein deel aan zee ligt - te kunnen beschermen, en de koloniale bezittingen van Duitsland rechtvaardigden evenmin zo'n sterke vloot. De Duitse vloot moest dus wel tegen Engeland gericht zijn. Wilhelm II. beschouwde een grote vloot als een legitiem middel voor een groot en krachtig land om zijn handel op zee te beschermen en als een drukmiddel om Engeland bij besprekingen over wapenreducties te doen inzien, dat het Duitsland als (vredes)partner op het continent nodig had. 

 
De tegenstellingen leidden tot een toenemend wantrouwen aan beide zijden en een wapenwedloop. In 1892 sloten Rusland en Frankrijk een verdrag, in 1904 volgde de "Entente Cordiale", het verdrag tussen Engeland en Frankrijk. In 1907 worden Rusland en Engeland het eens over diverse kwesties, waardoor ook Rusland lid werd van de Entente, die daarmee tot een "Tripelentente" uitgroeide.

Duitsland bleef als partner alleen nog Oostenrijk-Hongarije, dat uiteen dreigde te vallen en daardoor tot een kruitvat geworden was wegens de vele nationaliteiten op de Balkan die naar zelfbeschikking streefden.

vervolg: de militaire maatschappij


naar de inhoudsopgave
home

vorige pagina | inhoud

© de geschiedenis van Duitsland is een project van www.duits.de
1997-2006