| De vele Duitse vorsten oriënteerden zich in de 17e en 18e
eeuw op allerlei gebieden naar
het voorbeeld van het absolutisme in Frankrijk. De vorst was daar de "absolute" heerser:
"L'état, c'est moi" (de staat, dat ben ik), zei de Franse koning
Lodewijk XIV en
beriep zich er op, door God ("von Gottesgnaden") als heerser op
aarde benoemd te zijn. Door de almacht van de vorst kon deze doen en laten
wat hij wilde.
De staat werd strakker georganiseerd. Ook werd de organisatie
van de staatsfinanciën en ambtenarij op orde gebracht, wat door toegenomen inkomsten een
vast leger (i.p.v. huursoldaten) mogelijk maakte. De economie werd ondersteund
("mercantilisme"), ook door de oprichting van staatsbedrijven
("Manufakturen"). Al met al werd de staat vaak efficiënter geleid, de bewoners
echter meer en meer uitgebuit.
Veel vorsten maakten hun residentie tot een middelpunt van pracht en praal. Het was het tijdperk in de kunst van de Barok en Rococo. En ook daarin deden de vorsten de Franse stijl na. Men bouwde pronkpaleizen en liet grote tuinen aanleggen. Ook werden hofdichters en -musici in dienst genomen. Een aantal Duitse vorstenhuizen slaagde erin hun macht duidelijk te vergroten. Het waren Beieren, Brandenburg (het latere Pruisen), Sachsen en Hannover. |
|
vervolg:
de
Verlichting
|
vorige pagina
| inhoud |