|
De naam van het keizerrijk was aanvankelijk "Romeinse rijk", sinds de 13e eeuw "Heilige Romeinse rijk" en vanaf de 15e eeuw: "Heilige Romeinse rijk der Duitse natie". Uit de naam is duidelijk te zien dat men zichzelf als opvolgers van de Romeinse keizers beschouwde. Pas vanaf de 15e eeuw gaat men het woord Duitsland gebruiken. De keizers beschouwden zich vaak verheven boven het pausdom, wat tot grote conflicten met de kerk leidde. Bijvoorbeeld over de vraag wie nieuwe bisschoppen mocht benoemen, de zgn. "Investiturstreit". De keizers hadden er belang bij hun bezit door zelf gekozen bisschoppen te laten besturen; die konden het immers niet vererven. De machtige concurrenten van de keizer, de hertogen en graven, hadden op die manier het nakijken. Maar toch lukte het de regionale vorsten telkens weer om de macht van de keizer in te dammen, het rijk was versnipperd in vele kleine gebieden. Ook werden de steden steeds belangrijker. De macht van de keizer nam alleen maar af; eigenlijk stelde die vanaf ca. 1350 niet zo veel meer voor. Vanaf 1254 tot 1273, gedurende het "Interregnum" was er zelfs door onenigheid geen algemeen erkende keizer. Vanaf ca. 1400 was het keizerschap vrijwel onafgebroken in handen van het geslacht van de Habsburgers. Zij probeerden door "Hausmachtpolitik" (zoveel mogelijk het eigen gebied te vergroten), hun macht en invloed te vergroten.
|
|
vorige pagina
| inhoud |