Werkwoorden Naamvallen Zelfstandig naamwoord Voornaamwoord Getallen Overige
onregelmatige
zwakke | sterke
met haben/sein
met vaste naamval Konjunktiv
Lijdende vorm
Wanneer welke?
DER- | EIN-groep  
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsels en
werkwoorden met naamvallen
bijzonderheden

TIP: naamvalmachine
hoofdletter of kleine ?
der, die of das ?
samengestelde woorden
meervoud maken
verkleinvormen
betrekkelijk
persoonlijk
wederkerend
vragend
hoofdtelwoorden
rangtelwoorden
breuken
ein of eins?
procenten
trappen van vergelijking
vergelijkingen maken
persoonlijke brief
zakelijke brief
+
héél veel kleinere tips en uitleg!

 

Werkwoorden > werkwoorden met een vaste naamval

Werkwoorden met de 3e naamval

  • begegnen = tegenkomen
    Ik ben hem in de stad tegengekomen. - Ich bin ihm in der Stadt begegnet.
  • danken = danken / bedanken
    Ik dank u voor uw medewerking.- Ich danke Ihnen für Ihre Mitarbeit.
  • folgen = volgen
    Volgt u mij alstublieft.- Bitte folgen Sie mir.
  • gefallen = bevallen
    Hoe bevalt het je ? - Wie gefällt es dir ?
  • gehen = gaan met
    Hoe gaat het met je ?- Wie geht es dir ?
  • gelingen = lukken
    Niks lukt mij vandaag. - Nichts gelingt mir heute.
  • gehören = zijn van, toebehoren aan
    Het huis is van haar. - Das Haus gehört ihr.
  • glauben = geloven
    Ik geloof je niet. - Ich glaube dir nicht.
  • gratulieren = feliciteren
    Heb je hem al gefeliciteerd ? - Hast du ihm schon gratuliert ?
  • helfen = helpen
    Waarom helpt men die mensen niet ? - Warum hilft man den Leuten nicht ?
  • kondolieren = condoleren
    U kunt haar morgen condoleren. - Sie können ihr morgen kondolieren.
  • leid tun = spijten
    Het spijt mij. - Es tut mir leid.
  • sagen = zeggen tegen
    Ik heb het toch tegen je gezegd ? - Ich habe es dir doch gesagt ?
  • raten = aanraden
    Ik zou je aanraden nog even te wachten. - Ich würde dir raten, noch kurz zu warten.
  • (ver)trauen = vertrouwen
    Hij vertrouwde niemand meer. - Er (ver)traute keinem mehr.
LET OP:
Ook veel werkwoorden, die met een voorzetsel met de derde naamval (eigenlijk: een voorvoegsel) beginnen, hebben de derde naamval:

bijv. beiwohnen, beitreten [=lid worden van], zuhören [=luisteren], zusagen [=toezeggen, leuk vinden]

Werkwoorden met de 4e naamval

  • bitten = vragen/verzoeken
    Ik had je gevraagd op me te wachten. - Ich hatte dich gebeten, auf mich zu warten.
  • denken an = denken aan
    Ik denk aan de toekomst. - Ich denke an die Zukunft.
  • es gibt = er is/zijn
    Er is nog een appel. Wie wil hem ? - Es gibt noch einen Apfel. Wer möchte ihn ?
  • fragen = vragen aan/naar
    Ik heb hem er al naar gevraagd. - Ich habe ihn schon danach gefragt.
  • genießen = van iets genieten [in het Duits dus zonder von!]
    We hebben genoten van de vakantie. - Wir haben die Ferien genossen.
  • glauben an = geloven in
    Hij gelooft in haar. - Er glaubt an sie.
  • interessieren = interesseren
    Dat interesseert hem niet. - Das interessiert ihn nicht.
  • kosten = kosten
    Dat kost je minstens 1000 Euro. - Das kostet dich mindestens 1000 Euro.
  • sich erinnern an = zich iets herinneren
    Ik kan me dat voorval niet meer herinneren. - Ich kann mich nicht mehr an diesen Vorfall erinnern.
  • sich gewöhnen an = wennen aan
    Ze kon niet aan de nieuwe omgeving wennen. - Sie konnte sich nicht an die neue Umgebung gewöhnen.
  • sich verlieben in = verliefd worden op
    Ze is verliefd geworden op hem. - Sie hat sich in ihn verliebt.


 

Zoeken op trefwoord:  A - B - C - D - E - FG - H - I - J - K - LM - N - O - P - R - S  - T - U - V - W - Z
 
TIP: In het boekje Duits in je pocket heb je de belangrijkste grammatica + allerlei tips over de Duitse taal bij de hand!

Via Google zoeken binnen deze opzoekgrammatica Duits:

© Copyright  www.duits.de / Paul Goossen