Werkwoorden Naamvallen Zelfstandig naamwoord Voornaamwoord Getallen Overige
onregelmatige
zwakke | sterke
met haben/sein
met vaste naamval Konjunktiv
Lijdende vorm
Wanneer welke?
DER- | EIN-groep  
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsels en
werkwoorden met naamvallen
bijzonderheden

TIP: naamvalmachine
hoofdletter of kleine ?
der, die of das ?
samengestelde woorden
meervoud maken
verkleinvormen
betrekkelijk
persoonlijk
wederkerend
vragend
hoofdtelwoorden
rangtelwoorden
breuken
ein of eins?
procenten
trappen van vergelijking
vergelijkingen maken
persoonlijke brief
zakelijke brief
+
héél veel kleinere tips en uitleg!

 

Werkwoorden > onregelmatige werkwoorden (incl. modale werkwoorden)

 

hebben = haben

Bekijk hier het uitleg- en oefenfilmpje:

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

habe
hast
hat
haben
habt
haben
ik heb
jij hebt
hij/zij/het heeft
wij hebben
jullie hebben
zij hebben/u heeft
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

hatte
hattest
hatte
hatten
hattet
hatten
ik had
jij had
hij/zij/het had
wij hadden
jullie hadden
zij hadden/u had

voltooid deelwoord
Ik heb geluk gehad. - Ich habe Glück gehabt.

gebiedende wijs
net als bij de gebiedende wijs van zwakke werkwoorden

zijn = sein

Bekijk hier het uitleg- en oefenfilmpje:

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

bin
bist
ist
sind
seid
sind
ik ben
jij bent
hij/zij/het is
wij zijn
jullie zijn
zij zijn/u bent
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

war
warst
war
waren
wart
ware
n
ik was
jij was
hij/zij/het was
wij waren
jullie waren
zij waren/u was

voltooid deelwoord
Ze is ziek geweest. - Sie ist krank gewesen.

gebiedende wijs: enkelvoud
Wees toch eens aardig Inge ! - Sei doch mal nett, Inge !
gebiedende wijs: meervoud
Wees toch eens aardig voorelkaar ! - Seid doch mal nett zueinander !
gebiedende wijs: beleefdheidsvorm
Weest u toch voorzichtig ! - Seien Sie doch vorsichtig !

worden / zullen = werden

LET OP:
het Duitse werden heeft twee betekenissen: worden en zullen.
Het hangt van de zin af welke betekenis geldt:

bijv.
Was passiert, wenn du krank wirst ?
- Wat gebeurt er als je ziek wordt ?
Du wirst es nie vergessen
- Je zult het nooit vergeten.

 

tegenwoordige tijd

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie 

werde
wirst
wird
werden
werdet
werden
ik word/zal
jij wordt/zult
hij/zij/het wordt/zal
wij worden/zullen
jullie worden/zullen
zij worden/u wordt // zij zullen/u zult
LET OP: werden heeft in de ott twee betekenissen.
In de verleden tijd zijn er wèl twee verschillende verleden tijden:

 

verleden tijd van werden
met de betekenis WORDEN:

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

wurde
wurdest
wurde
wurden
wurdet
wurden
ik werd
jij werd
hij/zij/het werd
wij werden
jullie werden
zij werden/U werd
verleden tijd van werden
met de betekenis ZULLEN:

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

würde
würdest
würde
würden
würdet
würden
ik zou
jij zou
hij/zij/het zou
wij zouden
jullie zouden
zij zouden/u zou

voltooid deelwoord van WORDEN:
Hij is ziek geworden. - Er ist krank geworden.

gebiedende wijs van WORDEN:
net als bij de gebiedende wijs van zwakke werkwoorden

voltooid deelwoord/gebiedende wijs van ZULLEN:
komt niet voor

mogen (toestemming hebben) = dürfen
mogen in de betekenis: aardig vinden = mögen

tegenwoordige tijd

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie 

darf
darfst
darf
dürfen
dürft
dürfen
ik mag
jij mag
hij/zij/het mag
wij mogen
jullie mogen
zij mogen/u mag
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie

durfte
durftest
durfte
durften
durftet
durften
ik mocht
jij mocht
hij/zij/het mocht
wij mochten
jullie mochten
zij mochten/u mocht

voltooid deelwoord
Dat heb ik vroeger nooit gemogen. - Das habe ich früher nie gedurft.

kunnen = können

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie

kann
kannst
kann
können
könnt
können
ik kan
jij kan
hij/zij/het kan
wij kunnen
jullie kunnen
zij kunnen/u kunt
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie

konnte
konntest
konnte
konnten
konntet
konnten
ik kon
jij kon
hij/zij/het kon
wij konden
jullie konden
zij konden/u kon

voltooid deelwoord
Dat heb ik nooit goed gekund. - Das habe ich nie gut gekonnt.

moeten = müssen of sollen; dat hangt af van de zin:

A als iets niet anders kan, of "het is logisch dat": müssen

Dat moet Hans geweest zijn - Das muss Hans gewesen sein.
De straat moest afgezet worden. - Die Straße musste abgesperrt werden.

B bij een (dringend advies): müssen

Dat moet je niet allemaal geloven. - Das musst du nicht alles glauben!
Je moet nu gaan. - Du musst jetzt gehen.

C als je twijfelt, jezelf iets afvraagt: sollen

Wat moet ik doen? - Was soll ich machen?
Ik weet niet of ik er naar toe moet gaan. - Ich weiß nicht, ob ich hinfahren soll.
Moet ik dat nu meteen betalen? - Soll ich das sofort bezahlen?

D in een persoonlijk bevel: sollen

Jij moet je mond houden! - Du sollst den Mund halten!

tegenwoordige tijd
van müssen

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie

muss
musst
muss
müssen
müsst
müssen
ik moet
jij moet
hij/zij/het moet
wij moeten
jullie moeten
zij moeten/u moet
verleden tijd
van müssen

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie

musste
musstest
musste
mussten
musstet
mussten
ik moest
jij moest
hij/zij/het moest
wij moesten
jullie moesten
zij moesten/u moest

voltooid deelwoord van müssen: komt niet voor

tegenwoordige tijd
van sollen

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie 

soll
sollst
soll
sollen
sollt
sollen
ik moet
jij moet
hij/zij/het moet
wij moeten
jullie moeten
zij moeten/u moet
verleden tijd
van sollen

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

sollte
solltest
sollte
sollten
solltet
sollten
ik moest
jij moest
hij/zij/het moest
wij moesten
jullie moesten
zij moesten/u moest

voltooid deelwoord van sollen: komt niet voor

willen = wollen, möchten of sollen; dat hangt af van de zin:

A als je iets aanbiedt of beleefd zegt wat je wenst: möchten

Wil je koffie of thee? - Möchtest du Kaffee oder Tee?
Ik wil liever thee. - Ich möchte lieber Tee.

B als je iets beslist (niet) wilt: wollen

Dat wil ik niet, dat heb ik toch al gezegd!
- Das will ich nicht, das habe ich doch schon gesagt

C als "men" iets wil, "het is de bedoeling dat": sollen

Hier wil men bouwen / is het de bedoeling dat er gebouwd gaat worden.
- Hier soll gebaut werden.

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

will
willst
will
wollen
wollt
wollen
ik wil
jij wilt
hij/zij/het wil
wij willen
jullie willen
zij willen/u wilt
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

wollte
wolltest
wollte
wollten
wolltet
wollten
ik wilde
jij wilde
hij/zij/het wilde
wij wilden
jullie wilden
zij wilden/u wilde

voltooid deelwoord:
Dat heb ik zo niet gewild. - Das habe ich so nicht gewollt.

weten = wissen

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

weiß
weißt
weiß
wissen
wisst
wissen
  
ik weet
jij weet
hij/zij/het weet
wij weten
jullie weten
zij weten/u weet
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

wusste
wusstest
wusste
wussten
wusstet
wussten
ik wist
jij wist
hij/zij/het wist
wij wisten
jullie wisten
zij wisten/u wis

voltooid deelwoord:
Dat heb ik niet geweten. - Das habe ich nicht gewusst.

lusten, lekker vinden, leuk vinden, aardig vinden/mogen = mögen

Het werkwoord mögen kun je in het Duits voor allerlei betekenissen gebruiken:

over personen: aardig vinden, mogen
Ik vind Luise aardig. - Ich mag Luise.
over eten: lusten / lekker vinden
Ik lust ijs. / Ik vind ijs lekker. - Ich mag Eis.
over dingen: leuk vinden
Ik vind voetbal leuk. - Ich mag Fußball.

tegenwoordige tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

mag
magst
mag
mögen
mögt
mögen
ik lust, vind lekker, vind leuk, vind aardig
jij lust enz.
hij/zij/het lust enz.
wij lusten enz.
jullie lusten enz.
zij lusten/u lust enz.
verleden tijd

ich 
du 
er/sie/es 
wir 
ihr 
sie/Sie  

mochte
mochtest
mochte
mochten
mochtet
mochten
ik lustte, vond lekker, vond aardig
jij lustte, vond lekker, vond aardig
hij/zij/het lustte, vond lekker, vond aardig
wij lustten, vonden lekker, vonden aardig
jullie lustten, vonden lekker, vonden aardig
zij lustten, vonden lekker, vonden aardig

voltooid deelwoord:
IJs heb ik nooit lekker gevonden. - Eis habe ich nie gemocht.
Ik heb haar nooit gemogen. - Ich habe sie nie gemocht.


 

Zoeken op trefwoord:  A - B - C - D - E - FG - H - I - J - K - LM - N - O - P - R - S  - T - U - V - W - Z
 
TIP: In het boekje Duits in je pocket heb je de belangrijkste grammatica + allerlei tips over de Duitse taal bij de hand!

Via Google zoeken binnen deze opzoekgrammatica Duits:

© Copyright  www.duits.de / Paul Goossen