Werkwoorden Naamvallen Zelfstandig naamwoord Voornaamwoord Getallen Overige
onregelmatige
zwakke | sterke
met haben/sein
met vaste naamval Konjunktiv
Lijdende vorm
Wanneer welke?
DER- | EIN-groep  
bijvoeglijk naamwoord
voorzetsels en
werkwoorden met naamvallen
bijzonderheden

TIP: naamvalmachine
hoofdletter of kleine ?
der, die of das ?
samengestelde woorden
meervoud maken
verkleinvormen
betrekkelijk
persoonlijk
wederkerend
vragend
hoofdtelwoorden
rangtelwoorden
breuken
ein of eins?
procenten
trappen van vergelijking
vergelijkingen maken
persoonlijke brief
zakelijke brief
+
héél veel kleinere tips en uitleg!

 

Voornaamwoorden > Betrekkelijk voornaamwoord

Wat is een betrekkelijk voornaamwoord?

In deze voorbeeldzinnen zijn de betrekkelijke voornaamwoorden aangegeven. Ook is aangegeven, waarop ze betrekking hebben, waar ze naar verwijzen. Dit laatste noemen we met een duur woord: het antecedent

  • Je bedoelt die auto, die daar staat ? Die is van onze buren.
    - Du meinst den Wagen, der dort steht ? Der gehört unseren Nachbarn.
  • De pen, die ik gisteren kocht, is nu al kapot.
    - Der Kugelschreiber, den ich gestern kaufte, ist jetzt schon kaputt.
  • De jongen, wiens / waarvan de ouders gescheiden zijn, woont nu zo lang bij zijn oma.
    - Der Junge, dessen Eltern geschieden sind, wohnt jetzt vorübergehend bei seiner Oma.

Het betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een zinsdeel in een andere zin (het antecedent).

Meestal staat het betrekkelijk voornaamwoord aan het begin van een betrekkelijke bijzin:

Dat is de vaas, die ik gisteren gekocht heb.

hoofdzin

betrekkelijke bijzin

Soms onderbreekt een betrekkelijke bijzin de hoofdzin:

De vaas, die ik gisteren gekocht heb, was een ander model.

hoofdzin (begin)

betrekkelijke bijzin

vervolg van de hoofdzin

 

Schema betrekkelijk voornaamwoord

Let op: Rr zijn veel Nederlandse vertalingen mogelijk. Dat hangt van van de betreffende zin.
In het schema hieronder staat telkens een voorbeeldvertaling!

 

m
mannelijk

v
vrouwelijk

o
onzijdig

mv
meervoud

1 onderwerp der = die die = die das = die die = die
2 bezit dessen = wiens deren = van wie dessen = wiens deren = van wie
3 meew. voorwerp dem = aan wie der = aan wie dem = aan wie denen = aan wie
4 lijd. voorwerp den = die die = die das = die die = die

 Welke vorm uit het schema moet ik hebben ?

Dat wordt bepaald door:

  • het geslacht van het woord, waarnaar het terugverwijst (het antecedent)
  • en de naamval (waarin het betrekkelijk voornaamwoord staat) in de betrekkelijke bijzin.

voorbeeldzin
De vaas, die ik gisteren gekocht heb, was een ander model.

  • geslacht van het antecedent: die Vase: vrouwelijk
  • de naamval (waarin het betrekkelijk voornaamwoord staat) in de betrekkelijke bijzin. Hier: lijdend voorwerp, dus vierde naamval. In het schema boven zie je bij vrouwelijk, vierde naamval: die, dus:

    De vaas, die ik gisteren gekocht heb, was een ander model.
    - Die Vase, die ich gestern gekauft habe, war ein anderes Modell.

LET OP: woorden als: waaraan, aan wie, waarvoor, waarmee, waarop, enz.

Dit zijn een beetje "kameleon-woorden": soms zijn het eigenlijk betrekkelijke voornaamwoorden, soms zijn het vragende voornaamwoorden. Het hangt van hun gebruik af, hoe je ze moet vertalen:

Als BETREKKELIJKE voornaamwoorden mag je ze niet vertalen met woran, wofür, womit, worauf maar moet je vertalen met los voorzetsel en betrekkelijk voornaamwoord:

  • Die meneer, waaraan (aan wie) ik het cadeau gaf ? Dat is mijn baas.
    - Der Herr, dem ich das Geschenk gab ? Das ist mein Chef.
  • Het bedrijf, waarvoor ik gewerkt heb, is failliet gegaan.
    - Der Betrieb, für den ich gearbeitet habe, ist in Konkurs geraten.
  • De apparaten, waarmee ze moesten werken, waren stokoud.
    - Die Geräte, mit denen sie arbeiten mussten, waren uralt.
  • Het antwoord waarop ik hoopte bleef uit.
    - Die Antwort, auf die ich hoffte, blieb aus.

Als VRAGENDE voornaamwoorden vertaal je waaraan, waarvoor, waarmee, waarop, enz. met woran, wofür, womit, worauf enz.:

  • Waaraan denk je ? - Woran denkst du ?
  • Waarvoor interesseer je je ? - Wofür interessierst du dich ?
  • Waarmee kan ik je helpen ? - Womit kann ich dir helfen ?
  • Waarop wacht je ? - Worauf wartest du ?


 

Zoeken op trefwoord:  A - B - C - D - E - FG - H - I - J - K - LM - N - O - P - R - S  - T - U - V - W - Z
 
TIP: In het boekje Duits in je pocket heb je de belangrijkste grammatica + allerlei tips over de Duitse taal bij de hand!

Via Google zoeken binnen deze opzoekgrammatica Duits:

© Copyright  www.duits.de / Paul Goossen